
De uitvoer is de voornaamste motor van de Duitse economie. De keerzijde van deze medaille is een veralgemeende verarming van de bevolking. (Foto Viran.be)
“De Europese Unie en de eurozone willen de competitiviteit van de ondernemingen en hun export bevorderen. Het machtigste land van het continent, Duitsland, is de promotor van dit beleid en neemt zelf het voortouw (zie kader). Het is een onhoudbare situatie, een vicieuze cirkel.
Ofwel veroveren de bedrijven in het noorden verder marktaandeel ten koste van hun rivalen in de PIGS-landen. Dan stijgt daar de werkloosheid en daalt de koopkracht wat meteen ook de export naar de PIGS-landen bemoeilijkt. Ofwel komen de Spaanse, Portugese, Griekse en Italiaanse bedrijven er weer bovenop. Maar dan zijn de Duitse ondernemingen niet meer voldoende ‘competitief’ wat aldaar leidt tot een nieuwe ronde saneringen.
Bovendien dwingen de ‘convergentiecriteria’ overal in Europa tot besparingen die de lonen en inkomsten van de gewone man en vrouw aantasten. De huishoudens consumeren minder waardoor ook de staat belastinginkomsten derft. De druk op de overheidsfinanciën neemt verder toe, zeker in de PIGS-landen waar de interesttarieven hoger liggen. Waarna de roep om de duimschroeven nog wat vaster aan te draaien nog luider klinkt. Enzovoort.
Overigens zie je eenzelfde paradox op wereldschaal. De Europese bedrijven trachten in de VS hun waar aan de man te brengen ten koste van Amerikaanse bedrijven. Als Europa slaagt, verergeren de buitenlandse rekeningen van de VS wat de val van de dollar dichterbij brengt. Slaagt Europa daar niet in, moet ze andere markten opzoeken en doorgaan met saneren.
Besparingsplannen op de kap van de gewone man lopen geheid mis, zei econoom John Maynard Keynes al in de jaren 1930: “Als een land de lonen vermindert, kan dat land zich een groter deel van de globale vraag toe-eigenen, zolang de anderen dit niet nadoen. Maar als men overal tegelijk de lonen vermindert, zal de koopkracht van de hele gemeenschap dalen en dan zal niemand daarbij winnen.”
“Oplossingen vinden in een context, waar de privébelangen de volledige economische rationaliteit overheersen is niet eenvoudig. De concurrentiekracht opdrijven en marktaandelen veroveren zijn nu eenmaal inherent aan de kapitalistische economie.
Maar in plaats van een beleid gebaseerd op ‘competitiviteit’ en ‘convergentiecriteria’ moet Europa terugkeren naar het ondersteunen van de inkomens door bijvoorbeeld in elk land gewaarborgde minimuminkomens in te stellen. Tegelijk moet de overheid een investeringsbeleid voeren en de openbare dienstverlening uitbouwen. Dat zou zowel de basis leggen voor economische ontwikkeling als voor de sociale vooruitgang van de werknemers.
De vraagt blijft natuurlijk wie dat moet financieren. Sommigen verdienden de laatste decennia fortuinen. In 2007 beschikten in Europa 3,1 miljoen gezinnen over een financieel vermogen van meer dan 750.000 euro. Samen bezaten ze 7.300 miljard euro, dat is bijna 60% van het bnp van de hele EU. In 2008 zijn deze bedragen door de crisis lichtjes gedaald. Maar in 2009 hadden deze welgestelde families hun oude luister al teruggevonden. Een belasting van 2 % op dit fortuin zou al een goede 100 miljard euro opleveren.”
Zie ook www.miljonairstaks.be
Working poor in Duitsland
Henri Houben. “Berlijn wil steeds competitievere Duitse ondernemingen die steeds meer exporteren en buitenlandse markten veroveren. De sociaaldemocratische kanselier Gerhard Schröder was kampioen in saneren en ‘het herstellen van de competitiviteit van de ondernemingen’. Herinner u de Hartz-plannen: ontslag makkelijker maken, loonlasten verlagen, de werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken, de werkzoekenden onderbrengen in één systeem van uitkeringen gebaseerd op het gezinsinkomen (en niet langer op het vroegere loon), tijdelijke contracten en deeltijdse arbeid aanmoedigen… Onder Angela Merkel ging die politiek gewoon verder. Begin september 2010 kondigde ze nog een besparingsplan aan van 82 miljard euro tegen 2014: opnieuw fors snoeien in de uitkeringen en enkele nieuwe indirecte belastingen.
Vanaf midden jaren ’90 wordt de uitvoer de voornaamste – bijna exclusieve – motor voor de Duitse economische groei. De keerzijde van deze maatregelen is een veralgemeende verarming van de bevolking. Volgens de OESO steeg in Duitsland het aantal mensen onder de armoededrempel van 12,5 % rond 1990 naar 17,2 % in 2005. Sinds 2000 steeg de inkomensongelijkheid en de armoede in Duitsland ook sneller dan in de andere OESO-landen. Duitsland is nu het land van de working poor, werknemers met een onzeker loon, die met hun werk nauwelijks genoeg verdienen om te overleven. En zo’n politiek willen patronaat en de meeste politici in alle EU-landen.