De vijftig Belgische vennootschappen met de laagste belastingfactuur betalen gemiddeld 0,57 procent belastingen in ons land. Zo heeft Marco Van Hees van de studiedienst van de extreem-linkse partij PVDA berekend.
Door handig gebruik te maken van onze wetgeving genieten ze samen van een fiscale korting van 14,3 miljard euro. Hij selecteerde de 50bedrijven die de grootste aftrekken en kortingen kregen op hun belastingfactuur. De lijst is dus per definitie zo opgesteld dat de gemiddelde aanslagvoet zeer laag is.
Maar hij heeft ook eens gekeken naar de belasting die de 500 vennootschappen in ons land met de grootste gerealiseerde winsten betaald hebben. Die berekening levert een gemiddelde heffing van 3,76 procent op, peanuts in vergelijking met het officiële tarief in de vennootschapsbelasting van 33,99 procent dat in ons land nog altijd geldt.
Bedrijven, zeker de grote, komen zo goed als nooit aan een vennootschapsbelasting van 33,99 procent, nog altijd het officiële tarief. Zo liet minister van Financiën Didier Reynders (MR) een tijdje geleden berekenen hoeveel de 500 grootste bedrijven in ons land gemiddeld aan vennootschapsbelasting betalen. Voor het jaar 2001 kwam Reynders uit op een tarief van 13,6 procent. In 2001 was dat nog 24,2 procent. Hoe Van Hees precies aan zijn gemiddelde heffing van 3,76 procent komt, is niet helemaal duidelijk. Hij wil zijn lijst niet overmaken.Om de boodschap kracht bij te zetten, focust PVDA bovendien op individuele nv's, maar die maken soms wel deel uit van een groepsstructuur waarin andere vennootschappen wel belastingen betalen. Zo staat Belgacomnv in de lijst van de PVDA als een bedrijf dat geen belastingen betaalt, maar zusterbedrijf Proximus betaalt dan weer bijna 33procent en haalt daardoor de lijst niet.
De vennootschapsbelasting is bovendien slechts een van de vele ‘belastingen' die vennootschappen moeten betalen. Zo betalen ze sociale bijdragen en bedrijfsvoorheffing op de lonen van hun werknemers, onroerende voorheffing en allerlei lokale belastingen, allemaal ‘belastingen' die hier niet in rekening gebracht worden.
Heel wat vennootschappen uit het lijstje van PVDA zijn een stukje van een groter geheel dat dikwijls bovendien actief is in heel wat landen. Bedrijvengroepen hebben de natuurlijke neiging om hun activiteiten en geldstromen zodanig te organiseren om de belastingfactuur zo sterk mogelijk te drukken. Daardoor gebeurt het wel eens dat België naast de belastingen grijpt ten nadele van een ander land.
Bovendien wordt door bedrijven gretig gebruik gemaakt van de notionele-interestaftrek. Die laat bedrijven toe om van hun winst een fictieve rente af te trekken voor het eigen geld waarmee ze hun activiteiten financieren. Als ze lenen, betalen ze ook rente –een echte dan– en die is ook aftrekbaar, is de redenering achter die maatregel.
In ons land is het ook zo dat een vennootschap die aandelen koopt en ze nadien voor een hogere prijs verkoopt, geen belastingen betaalt op die meerwaarde. Het is bovendien zo dat wanneer een moedermaatschappij dividenden uitgekeerd krijgt van een van haar filialen, ze daarop zo goed als geen belastingen moet betalen. Omdat deze dividenden komen uit de winst van de filialen, die al eens belast is, is het normaal dat de moedermaatschappij niet een tweede keer wordt belast.
En dan zijn er de verliezen. Heel wat bedrijven, ook onze grote banken, torsen nog gigantische verliezen mee van de voorbije jaren. Een Belgische vennootschap mag die verliezen van haar winst aftrekken.
Of het moreel aanvaardbaar is om miljoenen of miljarden winst te maken en zo goed als geen belasting te betalen, is voer voor discussie. Feit is wel dat de Belgische wetgever de fiscale regels waarvan die grote bedrijven gebruik maken, zelf heeft opgesteld. Zo is de notionele-interestaftrek er gekomen op een ogenblik dat de PS, maar ook de SP.A, in de regering zaten. Die partijen dringen al enige tijd aan op een verstrenging van het systeem en klagen er al langer over dat bedrijven die de notionele-interestaftrek gebruiken, amper nieuwe banen creëren. Maar dat is geen wettelijke voorwaarde. Als ze dat hadden gewild, hadden ze dat toen in de wetgeving moeten inschrijven.
Zoveel mogelijk winst maken, zit nu eenmaal in de genen van de meeste bedrijven. Als ze een mogelijkheid zien in de fiscale wetgeving springen ze daarop. En de grote bedrijven zijn daarvoor beter uitgerust dan de kleintjes.
Belgacom heeft in 2009 ruim 244 miljoen euro winst gemaakt en betaalde daarop slechts 5.955 euro aan belastingen of eigenlijk 0,00 procent, berekende PVDA. Wie naar het jaarverslag kijkt dat Belgacom publiceert, ziet een winst voor belastingen van 1,14 miljard euro staan en een bedrag aan belastingen van 241 miljoen euro. Belgacom betaalde dus 21procent aan vennootschapsbelasting.
Het ene Belgacom is het andere niet. Het Belgacom waarnaar de PVDA kijkt, is slechts een van de vele vennootschappen uit de Belgacom-groep. Het jaarverslag geeft dan weer de zogenaamde geconsolideerde cijfers weer.
In het jaarverslag wordt de groepswinst getoond en ook de vennootschapsbelasting die door alle vennootschappen in de groep betaald werd. En het is niet zo dat die 241 miljoen euro aan vennootschapsbelasting geld is dat in het buitenland werd betaald. Zo werd een flink deel van dat bedrag opgehoest door Belgacom Mobile (Proximus), toch een op-en-top Belgische bedrijf. Belgacom Mobile boekte vorig jaar een winst voor belastingen van bijna 522 miljoen euro en betaalde daar ruim 171 miljoen euro aan belastingen op. Dat is bijna 33procent.
Het blijft wel zo dat bij heel wat bedrijvengroepen het belastinggeld wel in buitenlandse handen terechtkomt. Ze organiseren zich nu eenmaal zo dat hun belastingfactuur zo weinig mogelijk oploopt. Maar dat wil niet zeggen dat ze helemaal geen belastingen betalen. Zo prijkt Anheuser-Busch Inbev helemaal bovenaan het lijstje van PVDA als grootste belastingontwijker. Die vennootschap kreeg volgens PVDA een fiscaal cadeau van ruim 2,1 miljard euro. Maar dat wil niet zeggen dat de groep ABInbev geen belastingen betaalt. Van de winst van de groep vloeide vorig jaar ruim 1,4 miljard euro naar de fiscus.
Dat is een kwart van de belastbare winst. Alleen was dat voor een belangrijk stuk niet naar de Belgische fiscus.