Sitemap | Nieuwsbrief | Help | RSS |
1 december 2009 16:52 | Leeftijd: 275  dag(en)
| Thema: Economie, Milieu, Dossier

Kan de markt het milieu beschermen?

Markteconomie en milieu, passen die wel bij elkaar? Kan groen zomaar gekoppeld worden aan zaken doen? Kunnen winst en milieubescherming samengaan?

Zachary Beaulieu

Het privékapitaal profiteert van de ecologische crisis om zich veelbelovende markten toe te eigen, en behoudt tegelijkertijd de controle over de beslissingen. Met de noden van het milieu heeft dat niks te maken, wel met winsthonger. (Foto Flickr, Olympi)

Zowat iedereen weet dat een serieuze aanpak van de milieucrisis op wereldvlak een gigantische heroriëntering eist van energievoorraden, productiewijze, consumptie, transport en infrastructuur. Als we de opwarming van de aarde willen beperken tot 2 °C, zijn er dringend maatregelen nodig.

Voor een stuk dankzij de klimaatverandering sloten een aantal van oorsprong liberale economen zich aan bij het toenemend milieubewustzijn. Aan de basis van die bekering ligt niets meer of minder dan de recyclage van het kapitalisme met een groener tintje. De uitdaging is tweeledig. Door het hele productieproces minder vervuilend te maken zou het kapitalisme een nieuwe creatieve dynamiek kunnen vinden die heel veel banen oplevert.

Om een nieuwe start te nemen, moet de economie zich ten dienste stellen van het milieu. Dat is de ultieme implicatie van het concept ‘Green Deal’. Anders geformuleerd: de overheid moet de productiesystemen dwingen het klimaat beter te beschermen. Het vooropgestelde objectief is de overgang van een economie die erg veel fossiele brandstof gebruikt (lees: veel CO2 uitstoot) naar een economie die er zuinig mee omspringt. Maar hoe doe je dat?

Het basisidee van de voorstanders van de Green Deal is: het privékapitaal een groene technologie doen ontwikkelen, met hulp van overheidssubsidies en milieubelastingen op het gebruik van fossiele brandstoffen (een belasting op de CO2-uitstoot).

Nicholas Stern, voormalig vicevoorzitter van de Wereldbank, wordt nogal eens voorgesteld als de goeroe van de lage CO2-economie. Als eerste stap naar een beperking van broeikasgassen stelt hij voor de prijs voor fossiele brandstoffen te verhogen.  

Doeltreffend?

Volgens specialisten zouden de doelstellingen van Nicolas Stern zich moeten vertalen in een verhoging van de kostprijs van een ton CO2 met 25 dollar. We worden hier geconfronteerd met een van de fundamenten van de liberale economie: door een groene fiscaliteit in te voeren, ziet de staat ervan af om rechtstreeks tussen te komen in de productiekeuzes van de ondernemingen. Om naar een economie met minder koolstofemissies te gaan, zouden financiële stimulansen volstaan. En belastingen zijn daar het ideale middel voor. Die strategie schept echter duidelijk enkele problemen.

Zo is de milieuefficiëntie van een dergelijke maatregel erg twijfelachtig. Volgens de Nederlandse econoom Richard Tol, een specialist in de milieuproblematiek, zou een extra belasting van 25 dollar per ton CO2 geen enkel ontradend effect hebben voor de grootste producenten van broeikasgassen. Zelfs een belasting van 250 dollar per ton koolstof zou de uitstoot van broeikasgassen niet significant doen afnemen.

Tot zover dus de theorie dat hoe duurder de energie wordt, hoe beter dat is voor het milieu. Sommigen waren overigens heel blij toen de prijs van een vat ruwe olie opklom tot 100 dollar. Volgens hen zou de verandering er nu vanzelf komen vermits hernieuwbare energie aan die prijs ook rendabel werd. En daarom moest volgens hen de btw op energie in België vooral niet verlaagd worden.

Wie is de sigaar?

In de praktijk bleek die redenering helemaal niet op te gaan. Toen de olieprijs in de zomer van 2008 zijn hoogste piek haalde, ging de uitstoot van broeikasgassen er helemaal niet significant op achteruit. Waarom? Omdat een kapitalistische economie enkel bestaat om monetaire rijkdom (geld, dus) te scheppen en te vergroten. In die context is een vat van 100 dollar niet noodzakelijk slecht nieuws.

Uiteraard zullen de arbeiders en de arme boeren van landen zonder oliebronnen er wél voor opdraaien. Zij zullen de broeksriem moeten aanhalen en besparen op andere consumptiegoederen als zij evenveel olie willen blijven gebruiken om zich te verplaatsen en zich te verwarmen.

Het milieu kan wachten

Opdat een koolstoftaks zou werken, moet er een belasting komen die beduidend hoger ligt dan 250 dollar per ton (laten we zeggen: 300). Maar, op die manier zouden de productiekosten zo erg stijgen dat er zich geen kopers meer zouden aanbieden voor het eindproduct. Dat zou dan ook meteen het einde betekenen van de groene groei.

In de globale filosofie van Nicholas Stern zou de belasting van elke ton CO2 niet hoger mogen oplopen dan 25 dollar per ton en dat om zuiver economische redenen. Als het niveau van 25 dollar per ton zou overschreden worden, zou de privésector fors op de rem gaan staan uit vrees voor afnemende winstmarges. 

Met een belasting van 25 dollar per ton CO2 kan je er donder op zeggen dat de bedrijven een ernstige inspanning zullen leveren om energie en basisgrondstoffen niet langer nodeloos te verspillen. Daardoor zal hun rentabiliteit stijgen, tot grote vreugde van… de aandeelhouders. De loontrekkenden zullen van die rentabiliteitstoename uiteraard geen cent zien. Ondertussen zal de overheid uiteraard vrijgevig omspringen met subsidies om de bedrijven te helpen bij hun aanpassingsplannen aan de meerkost van 25 dollar per ton CO2.

Ecologie met mondjesmaat

Het belangrijkste tegenargument is dan ook dat met mondjesmaat aanzetten tot minder uitstoot van koolstofgassen (om de concurrentieposities niet te bedreigen) nooit kan volstaan om de noodzakelijke verminderingen te realiseren. Investeringen via marktmechanismen zullen bovendien totaal onvoldoende blijken. 

Zo denkt Nicholas Stern dat er tot 2050 jaarlijks voor ongeveer 2 % van het gemiddelde wereldwijde bbp moet worden geïnvesteerd, alleen maar om de uitstoot van broeikasgassen op het huidige niveau te stabiliseren. Het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) zet een investeringsobjectief van 1 % van het bbp voorop in groene technologie. Maar, er is voorlopig niet eens sprake van een stabilisering. Men heeft het alleen maar over een vermindering met 50 tot 80 % tussen vandaag en 2050. Het ambitieuze programma van Stern is dus bijzonder beperkt.

Precies daar wringt het schoentje van de Green Deal: namelijk in het zakelijk aspect, dat wil zeggen in het veiligstellen van de winsten van de multinationals. Daardoor valt het groene deel van de ‘deal’ (de bescherming van het milieu) volledig weg. We moeten ons dus vooral verzetten tegen de ‘deal’, tegen het principe dat de markt het probleem wel zal regelen.


Nog geen reacties ontvangen

Voeg hieronder uw mening toe

* - verplicht veld

*





*
*