
Uit een studie die het VBO liet maken, blijkt ook dit: de Belgische werknemer krijgt vandaag een 8,5 % kleiner stuk van de totale welvaartstaart dan in 1998. (Foto Solidair, Vinciane)
De werkgeversorganisatie VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen) liet er de laatste dagen niet veel twijfel over bestaan, wat hen betreft vormt de economische crisis een ideale gelegenheid om een forse aanval op de rechten van de werknemers in te zetten. Na eerdere pleidooien voor de afschaffing van het brugpensioen en het recht op tijdskrediet voor 50-plussers, wordt ook het gekende refrein rond loonmatiging weer bovengehaald. Daarmee lost het VBO een schot voor de boeg voor de komende onderhandelingen over het IPA (Interprofessioneel Akkoord) in het najaar.
Om zijn aanval kracht bij te zetten, zwaait het VBO met een studie die het bij de Leuvense economieprofessoren Joep Konings en Filip Abraham heeft besteld. Zij beweren dat een loonmatiging met 3,5 % tussen de 60.000 en de 73.000 bijkomende jobs oplevert.
De twee professoren onderzoeken in hun studie de impact van de evolutie van loonkosten en productiviteit van een onderneming op de werkgelegenheid. Voor hun model baseren ze zich naar eigen zeggen op gegevens van 10.000 ondernemingen in de periode 1998-2008. Daaruit trekken ze een aantal opmerkelijke besluiten.
Zo zou de tewerkstelling in een onderneming met 0,44 % dalen als de lonen met 1 % stijgen bij een gelijkblijvende productiviteit. Als zowel de productiviteit als de loonkosten met 1 % stijgt, dan nog daalt de tewerkstelling volgens de professoren met 0,41 %. Deze percentages noemen zij de loonelasticiteit van de werkgelegenheid.
Met die stelling willen de professoren het standpunt van de vakbonden van de Groep van Doorn1 weerleggen: die vinden dat de werknemers jaarlijks recht hebben op een loonsverhoging gelijk aan de stijging van de index plus de stijging van de productiviteit. Volgens Konings en Abraham gaan er bij een loonstijging van meer dan een kwart van de toename van de productiviteit al jobs verloren.
De grote zwakte van hun studie is dat de professoren alleen kijken naar de situatie op het niveau van één enkele onderneming. Als een enkele onderneming haar lonen verlaagt, is het logisch dat haar concurrentiepositie verbetert en dat ze meer producten kan verkopen en uiteindelijk meer werkkrachten nodig heeft. Als daarentegen alle ondernemingen hun loonkosten verlagen, speelt dit voordeel veel minder. Daarbij komt nog een veel belangrijker effect kijken. Als alle ondernemingen hun lonen verlagen, betekent dit dat het overgrote deel van de bevolking over minder koopkracht beschikt. Daardoor raken de bedrijven hun producten niet meer kwijt en komt de economie dus in een overproductiecrisis terecht.
Een van de interessantste cijfers uit de studie is de evolutie van de loonkosten in ons land per eenheid product over de periode 1998-2008. In deze periode stegen de lonen per werknemer met 35 % (gemiddeld 3,5 % per jaar), maar steeg de productiviteit met 55 %. Daardoor daalden de loonkosten per eenheid product van 68,5 % naar 60 % van de productieprijs. De Belgische werknemer krijgt vandaag dus een 8,5 % kleiner stuk van de totale welvaartstaart dan in 1998.
De professoren erkennen daarmee dat de Belgische werknemers een grote en reële inspanning hebben geleverd, maar vinden deze niet voldoende. Dat komt volgens de professoren, omdat onze concurrentiepositie in vergelijking met het gemiddelde van onze drie buurlanden (Nederland, Frankrijk en Duitsland) in de periode 1996-2008 met 3,5 % verslechterd is. De onderzoekers gebruiken daarvoor cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), maar ze citeren die onvolledig. Ze vergeten de talrijke fiscale lastenverlagingen voor werkgevers op onder andere overuren en ploegenarbeid in rekening te brengen. Volgens de CRB bedraagt het verschil tussen België en het gemiddelde van de buurlanden na het in rekeningen brengen van deze zogenaamde fiscale loonsubsidies nog slecht 0,5 %.
Nader onderzoek wijst bovendien uit dat de Belgische lonen in deze periode maar 1 % sneller gestegen zijn dan in Frankrijk en dat de lonen in Nederland zelfs 6 % sneller zijn gestegen dan bij ons. Ten opzichte van Duitsland zijn onze lonen wel sterker gestegen, namelijk met 20,42 %. Duitsland trekt het gemiddelde van de drie buurlanden dus sterk naar beneden. Dit komt omdat in Duitsland de voorbije tien jaar een zeer agressief loonbeleid heeft gevoerd met onder andere de Hartz IV-hervormingen waardoor de werkloosheidsuitkering voor volwassenen nog maar 359 euro bedraagt.
De professoren schrijven in hun conclusie dat België nood heeft aan “een Duits pact voor tewerkstelling” om onze loonkosten naar het gemiddelde niveau van onze buurlanden te brengen. Verder moeten ook de werkloosheidsuitkeringen naar omlaag zodat er “voldoende financiële prikkels zijn voor een werkzoekende om een job te aanvaarden”. Wat we bij Konings en Abraham niet te weten komen, is wat er gebeurt als niet alleen België maar ook onze buurlanden deze weg van loonmatiging volgen. Uiteindelijk komen we dan in een neerwaartse spiraal terecht, die geen enkel perspectief biedt op duurzame werkgelegenheid of een gezonde financiering van onze sociale zekerheid.
1. In de Groep van Doorn komen sinds 1997 de vakbonden uit Duitsland, Frankrijk, Nederland, Luxemburg en België bijeen om de violen gelijk te stemmen over de collectieve loononderhandelingen. • 2. De Tijd, 26/06
Een bizarre solidariteit
In hun inleiding doen Konings en Abraham een beroep op de solidariteit van de werkenden met de jongeren en de werkzoekenden. Ze spreken van “een latente spanning tussen de rechten van de werknemers enerzijds en de solidariteit naar werklozen anderzijds”. Daarmee geven de professoren en het VBO een wel heel eigenaardige invulling van het begrip solidariteit. Voor hen betekent solidariteit niet dat de werknemers een deel van hun loon aan de sociale zekerheid afstaan om zo de werkloosheidsuitkeringen en de pensioenen van anderen te betalen, maar dat de werknemers een deel van hun loon aan hun baas afstaan zodat deze nieuwe werknemers tegen een hongerloon kan tewerkstellen.
Indien de voorstellen van Konings en Abraham vandaag zouden worden doorgevoerd en zelfs als er daardoor 73.000 extra jobs bijkomen (wat zeer twijfelachtig is) dan nog zou dit een transfer betekenen van de werkende bevolking naar de patroons van 1,5 miljard euro. Ondertussen raakte vorige week bekend dat dit jaar 10 % van alle dividenden van Belgische beursgenoteerde ondernemingen (447 miljoen euro) wordt uitgekeerd aan amper drie families.
Soms vraag ik me af : is het overgrote deel van de arbeiders nu stekeblind om op deze filosofie te stemmen ?
Voeg hieronder uw mening toe