De hersenen van Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (sp.a) maken vreemde kronkels. “Het gelijkekansenonderwijs blijft een primaire doelstelling,” zegt hij, maar om te besparen op zijn departement is zijn eerste maatregel het opdoeken van… het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen (Steunpunt GOK), een expertisecentrum dat de afgelopen jaren leerkrachten en directies in heel Vlaanderen ondersteunde met het uitbouwen van een gelijke onderwijskansen- en taalbeleid. En dat op een moment dat Vlaanderen koploper is op het vlak van ongelijkheid in het onderwijs. “Dat valt niet te rijmen,” zegt Kris Van den Branden, directeur van dat Steunpunt Gelijke Onderwijskansen. “Als gelijke kansen een topprioriteit is, dan is het toch onmogelijk te snappen dat je een instrument als het Steunpunt GOK niet inzet? Vooral als je weet dat het Steunpunt bewezen heeft om een unieke expertise in huis te hebben op het vlak van ondersteuning aan het onderwijsveld en aan pedagogische begeleidingsdiensten.”
Die expertise kan overgenomen worden door het departement Onderwijs, door andere diensten en door de scholen zelf, zegt Smet. Klopt dat?
Kris Van den Branden. Dat is maar gedeeltelijk waar. Het is inderdaad zo dat er in het veld – leerkrachten, begeleiders, administratie – expertise aanwezig is. Maar we zitten in dat verhaal van gelijke onderwijskansen met een aantal vragen die nog lang niet beantwoord zijn of waar we nu stilaan met een antwoord op komen. Dat is het soort expertise die je kunt ontwikkelen met zo’n Steunpunt GOK, maar die nog lang niet geïncorporeerd is in het veld.
Ik geef een voorbeeld. We zijn twee jaar geleden op het probleem gestoten dat de geletterdheid van jongeren in het BSO en TSO stilvalt tussen het derde en het zesde jaar. De kennis om daaraan te verhelpen is absoluut niet aanwezig in het onderwijsveld. Een van de partners van het Steunpunt GOK, het Centrum voor Taal en Onderwijs, is nu volop bezig met daar methodes en instrumenten rond te ontwikkelen. De pedagogische begeleidingsdiensten zitten op dat vlak, zoals vaak, op ons te wachten. Ook de administratie weet niet hoe dat precies moet. Dat is maar één voorbeeld. Maar we krijgen bijvoorbeeld ook de vraag hoe om te gaan met de enorme diversiteit in scholen. Hoe ga je om met meertaligheid? Hoe ga je om met anderstalige nieuwkomers? Die zaken zijn cruciaal in het verhaal van gelijke onderwijskansen, en daar heb je dus een expertisecentrum voor nodig, dat innoverend is en nieuwe ideeën aanreikt.
In De Morgen zei een schooldirecteur nochtans dat hij niet veel contact had met het Steunpunt GOK, en dus de beslissing om het te sluiten wel begreep.
Kris Van den Branden. Dat verbaast mij niet. Het is typerend dat de school die dat signaal gaf, een ASO-school is. Dat zijn scholen die relatief weinig GOK-doelgroepleerlingen aantrekken en die dus met andere woorden ook minder actief betrokken zijn bij het uitwerken van een GOK-beleid. Het overgrote deel van de GOK-doelgroepleerlingen in het secundair onderwijs is geconcentreerd in BSO- en TSO-richtingen.
Gelijke onderwijskansen heeft vooral te maken met wat een leerkracht in de klas met leerlingen en leerlingengroepen doet
Kijk, we zijn een Steunpunt met twintig voltijdse medewerkers. Je kunt van twintig voltijdse medewerkers niet verwachten dat die de 2.500 basisscholen en nog eens zoveel secundaire scholen allemaal gaan platlopen. We hebben altijd gewerkt via andere actoren, zoals de pedagogische begeleidingsdiensten, CLB’s (Centra voor Leerlingenbegeleiding, n.v.d.r.), de lerarenopleiding,... die ons gedachtegoed en onze ideeën oppikken en uitdragen naar de scholen. Wij hebben, bijvoorbeeld, al jaren een werking uitgezet rond taalvaardigheidsonderwijs in het basisonderwijs. De belangrijkste actoren daar waren de pedagogische begeleiders van die scholen. Die kwamen de mosterd halen bij het Steunpunt, vervolgens namen ze die mee en droegen ze die uit naar leerkrachten en scholen. Je zult dan inderdaad veel scholen tegenkomen die zeggen: “Goh, dat Steunpunt GOK, dat heb ik zelf nooit gezien”, maar die pedagogische begeleider hebben ze natuurlijk wél gezien. Je kunt van twintig mensen niet verwachten dat ze die expertise zelf uitdragen naar alle scholen. Dat is trouwens helemaal hun opdracht ook niet. De opdracht van het Steunpunt is expertise ontwikkelen, ideeën ontwikkelen, die ideeën praktijkgericht vertalen en dan met allerlei actoren samenwerken en in interactie treden.
Nu, minister Smet moest besparen. Hij heeft ervoor gekozen om niet “in” de klassen, maar “boven” de klassen te besparen. Maar die besparingen zullen toch ook te voelen zijn in de klassen?
Kris Van den Branden. Uiteraard. Wat wij doen, is niet alleen wat instrumentjes ontwikkelen. Wij zijn bezig met heel wat onderzoek naar de interactie binnen de klas. Momenteel loopt er binnen het Steunpunt GOK een doctoraatsonderzoek naar de kwaliteit van het lees- en schrijfonderwijs in de klas. Je komt daar dus ontzettend veel te weten over hoe leerkrachten met leerlingen omgaan en welk effect dat kan hebben op het welbevinden en op het leren van de leerlingen. Het is onze bedoeling om de informatie die wij uit dat onderzoek halen door te geven aan leerkrachten. Dat is de kern van de zaak, want uiteindelijk heeft gelijke onderwijskansen vooral te maken met wat een leerkracht in de klas met leerlingen en leerlingengroepen doet. En het is precies op dat vlak dat aan het Steunpunt GOK wordt gevraagd om onderzoek te doen en met oplossingen te komen.
Wat betekent de sluiting van het Steunpunt GOK voor het gelijkekansenonderwijs?
Kris Van den Branden. Er wordt nu bespaard op de korte termijn, maar er gaat een ongelooflijke hefboom, die in de klassen van invloed kan zijn, verloren en daardoor zou op langere termijn de ongelijkheid in het onderwijs wel eens kunnen vergroten.
Ik vraag mij af wat voor een kenniseconomie dit in godsnaam is
Neem nu die taaltoetsen die Smet wil invoeren voor 6- en 12-jarigen. We hebben een paar jaar geleden in opdracht van toenmalig Onderwijsminister Vandenbroucke een studie gemaakt over het effect van taaltoetsen op gelijke onderwijskansen. In heel veel landen is daar al bijzonder veel onderzoek naar gedaan en wij hebben al die onderzoeken bijeengebracht. Daarbij kwamen we tot de vaststelling dat het louter invoeren van een taaltoets op zich niets, maar dan ook niets, bijdraagt tot het verhogen van de gelijke onderwijskansen. Er is pas een effect als zo’n toets vergezeld wordt van begeleidende maatregelen, zoals het ondersteunen van leerkrachten in het omgaan met tegenvallende resultaten, om maar iets te noemen. Dat is kennis die daar ligt, en die wij als Steunpunt kunnen omzetten in maatregelen die ervoor zorgen dat zo’n taaltoets wél iets kan betekenen voor gelijke onderwijskansen. Als de minister geen gebruik wil maken van die kennis en expertise, dan draagt zo’n taaltoets niks bij aan gelijke onderwijskansen.
Wat zegt dat over het beleid van Pascal Smet en de Vlaamse regering?
Kris Van den Branden. Vlaanderen wil zo graag een kenniseconomie zijn, maar dit is dan toch een voorbeeld van hoe het niet moet. Er wordt enorm oneconomisch omgegaan met onze mensen en met de kennis van onze instituten. Er is een torenhoog probleem in het onderwijs, waarvan iedereen zegt dat het moet worden opgelost, en dan gooi je de kennis die door dit Steunpunt vergaard is zomaar weg. Dan vraag ik mij af wat voor een kenniseconomie dit in godsnaam is.
Beleid maken, is een kwestie van keuzes maken. Je bepaalt je doelstellingen en je probeert dan zo goed en zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de beschikbare instrumenten om die doelstellingen te bereiken. Ik denk dat dat in dit geval absoluut niet gebeurt. Op het vlak van gelijke kansen is het beleid van Smet dus niet bijster efficiënt en is er bijsturing nodig.
Alleen wordt het niet zo gemakkelijk maakt om voor die instellingen te kiezen.
Zijn onderwijsbeleid is een uitsluitingsbeleid! Onder het mom van ‘kwaliteit’ worden muren opgetrokken en worden anderstaligen geweerd. Brusselse kinderen moeten verplicht schoollopen in het Nederlandstalig kleuteronderwijs, terwijl er een tekort aan plaatsen is, taalexamens voor 6- en 12-jarigen moeten het imago van de Vlaamse gemeenschap opkrikken voor anderstaligen. Een socialist kan en mag geen kinderen uitsluiten op basis van zijn afkomst of taal! Als er geen plaats genoeg is in de scholen, dan moeten er plaatsen bijkomen. En dat moet niet ten koste gaan van de kwaliteit. Kwantiteit en kwaliteit zijn geen tegengestelden. Op voorwaarde dat er genoeg middelen worden voor uitgetrokken uiteraard. Sluiten van ondersteunende instellingen is wel een ander signaal! Bejubeld worden door VB-ers die zeggen dat ze zich op de lijn bevinden van een minister die tot de sp.a behoort, is beschamend. Iemand die zichzelf socialist noemt en die dat meemaakt moet (minstens) twee keer nadenken.
Voeg hieronder uw mening toe