Akkoord G7 over de belasting van multinationals: mag het iets meer zijn?

Foto Solidair

De landen van de G7 zijn het eens geworden over een wereldwijd minimumtarief van 15% belastingen voor multinationals. Zeker een stap vooruit in de strijd tegen belastingparadijzen en belastingontwijking door grote bedrijven, maar het is beslist ook vatbaar voor kritiek.

1. Wat houdt het akkoord van de G7 in?

De landen van de G7 – Duitsland, Canada, de Verenigde Staten, Frankrijk, Italië, Japan en het Verenigd Koninkrijk – kondigden op 5 juni 2021 een akkoord aan over de belastingheffing op multinationals. Het omvat twee pijlers.

De eerste pijler betreft de plaats waar de winsten van een multinational moeten worden belast. Hoeveel belasting in het land waar de hoofdzetel is gevestigd en hoeveel in de landen waar de consumenten of gebruikers zich bevinden, de "marktlanden"? Dit verwijst uiteraard naar de belangrijke debatten over de belastingheffing op de Gafam – de Amerikaanse netgiganten Google, Apple, Facebook, Amazon en Microsoft.

Het G7-akkoord is op dat vlak eerder terughoudend, aangezien het belastbare gedeelte van de winst in de marktlanden sterk beperkt wordt: amper 20% van de winstmarge van ondernemingen boven 10% winst zou eronder vallen. Bovendien impliceert dat ook, vooral voor de Europese landen, dat men afziet van belastingen zoals de Gafam-belasting. Voor België bijvoorbeeld zou de belasting van de eerste pijler volgens de meest optimistische scenario's tussen 210 miljoen en één miljard euro opleveren.

De tweede pijler zou een veel grotere impact hebben in termen van bedragen. Hierbij wordt een wereldwijd minimumtarief van 15% voor multinationals vastgelegd. Neem bijvoorbeeld AB Inbev, dat zijn hoofdzetel in België heeft. Als een dochteronderneming van de brouwerijreus momenteel 5% betaalt in een belastingparadijs, zou AB Inbev in de toekomst in België 15% - 5% = 10% extra belasting op de winst van deze dochteronderneming betalen.

Dit G7-akkoord zou in juli worden besproken door de G20 – die naast de G7-landen ook de Europese Unie, China, India, Rusland, Australië, Brazilië, enz. omvat. Het zou ook kunnen worden voorgelegd aan de 139 landen die lid zijn van het "inclusieve kader" van de OESO, d.w.z. aan de vele landen die deze instelling bij internationale belastingonderhandelingen wil betrekken, zodat zij niet langer de enige club van rijke landen lijkt te zijn.

2. Een veel te laag minimumtarief

Tot mei pleitte VS-president Joe Biden voor een wereldwijd minimumtarief van 21%, terwijl de Europese Unie een belachelijk tarief van 12,5% voorstelde. Men zou kunnen denken dat het percentage van 15% een compromis is tussen deze twee voorstellen, maar de grote stap achteruit van Biden is in feite het gevolg van interne druk (zie punt 5).

Met een percentage van 15% is dit slechts 2,5 punten hoger dan de 12,5% die een golf van kritiek op de instellingen van de Europese Unie had uitgelokt. Onnodig te zeggen dat ook de 15% onder vuur ligt. Dit percentage is "veel te laag" als we het "gebruik van belastingparadijzen" willen bestrijden, zegt Gabriela Bucher van de ngo Oxfam. Ook de vereniging Attac meent dat "het van deze maatregel te verwachten voordeel op korte termijn marginaal is" en dat een tarief van 25% "een grote stap voorwaarts zou zijn geweest".

Gabriel Zucman is econoom en deskundige in belastingparadijzen. Hij bracht onlangs een door de Europese Unie gecofinancierde studie uit1 waarin het effect van een wereldwijde minimumbelasting wordt berekend. Hij noemde het akkoord van de G7 "historisch" maar "ontoereikend". In Le Triomphe de l’injustice (Seuil, 2020), het boek dat hij met Emmanuel Saez schreef, verdedigt Zucman immers de noodzaak van een minimumtarief van 25% om de "race naar het laagste belastingtarief" te stoppen.

Een tarief van 15% ligt nog altijd veel lager dan het tarief van de vennootschapsbelasting in veel landen, ook al is dat tarief sinds de neoliberale wending van de jaren tachtig blijven dalen. Vóór die wending bedroeg het tarief in België bijvoorbeeld 48% en zelfs meer dan 50% voor de hoogste winsten. Vandaag ligt het nog maar op 25%, de helft. Maar dat is nog altijd 10 punten hoger dan 15%. Een verschil dat volstaat om de fiscale dumping te vrijwaren.

Een dergelijke dumping is bijvoorbeeld het handelsmerk van Ierland, waar het tarief van de vennootschapsbelasting 12,5% bedraagt. In de Unie behoort Dublin logischerwijze tot de tegenstanders van een wereldwijd minimumtarief. Maar mocht dat tarief inderdaad op 15% komen, dan blijft het verschil met het Ierse tarief klein.

Een hoger wereldwijd minimumtarief betekent ook extra inkomsten voor de staten, althans die waar de multinationals hun hoofdzetel hebben gevestigd. Zo zou, volgens de bovengenoemde studie van Gabriel Zucman et al.2, een tarief van 15% voor de landen van de Europese Unie 48,3 miljard opleveren, maar die opbrengst zou bij 21% oplopen tot 98 miljard, tot 167,8 miljard bij 25% en tot 269,7 miljard bij 30%. Nu veronderstellen deze inkomsten wel dat de belastingparadijzen hun belastingtarieven niet verhogen, wat het logische gevolg zou kunnen zijn van de invoering van een wereldwijd minimumtarief. Die paradijzen zouden met tarieven van minder dan 15% immers normaal gezien geen multinationals meer aantrekken.

3. Moeilijk te verantwoorden uitzonderingen

Een regel kan soms worden uitgehold door zijn uitzonderingen. Er wordt nochtans in uitzonderingen voorzien voor het wereldwijde minimumtarief.

Die uitzonderingen zouden in de eerste plaats betrekking kunnen hebben op bepaalde belastingstelsels. We herinneren ons hoe de toenmalige regering in België bij de hervorming van de vennootschapsbelasting (2017) had gezworen dat grote ondernemingen een minimumtarief van 7,5% gingen betalen. Maar bij de berekening van dit minimumtarief houdt men echter geen rekening met de beruchtste achterpoortjes van de Belgische wetgeving. Daarom blijven, zoals de PVDA-studiedienst heeft aangetoond, veel multinationals een nultarief of een bijna-nultarief betalen3

Een andere uitzondering zou erin bestaan bepaalde sectoren van de toepassing van het algemene minimumtarief uit te sluiten. Binnen de G7 zou Canada ervoor hebben gepleit om de extractie-industrieën uit te sluiten. Het Verenigd Koninkrijk pleit van zijn kant voor een vrijstelling voor financiële diensten, een idee dat bij het Groothertogdom Luxemburg nogal in de smaak lijkt te vallen.

We zullen zien wat er precies uit de bus zal komen, maar we moeten wel waakzaam zijn: lage tarieven en een resem uitzonderingen zullen de strijd tegen de belastingparadijzen zeker niet vergemakkelijken.

4. Het Belgische belastingstelsel ontmaskerd

In verband met de tweede pijler - het wereldwijde minimumtarief - is de G7 eerder voor een aanpak per land in plaats van een wereldgemiddelde. Voor een bepaalde multinational bekijkt men dus de situatie in elk land waar hij dochterondernemingen heeft en neemt men het verschil tussen het belastingtarief van het land en het minimumtarief van 15%. De Belgische overheid heeft lang de optie van het wereldgemiddelde verdedigd, maar het Vivaldi-regeerakkoord koos uiteindelijk voor de optie waaraan de G7 net zijn voorkeur heeft gegeven.

We wezen er met betrekking tot de eerste pijler op dat die bijzonder weinig ambitieus is en de invoering van Gafam-belastingen uitsluit. Men kan zich dus afvragen wat de Vivaldi-coalitie zal doen, want haar akkoord houdt deze belofte in: er moet een vorm van digitale taxatie komen. Daarom zal België het voortouw nemen in de besprekingen voor dergelijke taxatie op internationaal niveau (OESO/EU). Een akkoord op internationaal niveau geniet de voorkeur. Indien er geen internationaal akkoord gevonden kan worden, in de schoot van de OESO en/of van de EU; zal België zelf een digital service taks invoeren in 2023.

Merk op dat men in dit regeerakkoord van links naar rechts slingert, aangezien men in dezelfde zin zegt "dat er geen uitzonderingen gemaakt worden voor bepaalde belastingregimes, maar er tegelijkertijd voor gezorgd zal worden dat het concurrentievermogen van bepaalde belangrijke sectoren van de economie behouden blijft”. De Belgische ministers van Financiën beweren al lang dat ons "kleine land" alleen kan concurreren met de grotere landen door multinationale groepen aantrekkelijke belastingregels aan te bieden. Dit is typisch de logica van een belastingparadijs. Breekt deze regering met deze logica? In ieder geval heeft premier Alexander De Croo, toen hij in juli 2020 nog minister van Financiën was, niet geaarzeld om de kandidatuur van zijn Ierse ambtgenoot Paschal Donohoe voor het voorzitterschap van de Eurogroep, waarin de geldbeheerders van de eurozone bijeenkomen, te steunen4. Dezelfde Paschal Donohoe die zich zojuist heeft uitgesproken tegen de voorgestelde wereldwijde minimumbelasting van 15%.

Dit plan heeft ook als neveneffect dat het Belgische belastingstelsel aan de kaak wordt gesteld: in de ramingen van Gabriel Zucman over de impact van een minimumtarief komt België als beste uit de bus van de landen van de Europese Unie voor de hypothese die door de G7 wordt vooropgesteld, namelijk een tarief van 15%. Dit zou ons land 10,5 miljard euro aan extra belastinginkomsten opleveren.5Voor Duitsland en Frankrijk bijvoorbeeld, waarvan de economieën veel groter zijn, beloopt dit bedrag respectievelijk slechts 5,7 en 4,3 miljard euro.

Hoe kunnen we die gouden medaille verklaren? Het Belgische belastingstelsel is dubbel interessant voor multinationals. Enerzijds kent het typische maatregelen van belastingparadijzen (ook al zijn sommige daarvan onlangs verdwenen, zoals de notionele interest of de excess profit rulings), waarvan multinationale ondernemingen rechtstreeks profiteren. Maar anderzijds biedt onze wetgeving ook een aanvulling op andere belastingparadijzen, omdat de voordelen die multinationals daar halen in België fiscaal kunnen worden gekapitaliseerd. Dit is met name het geval voor de DBI-regeling (definitief belaste inkomsten), die een in België gevestigde grote vennootschap de mogelijkheid van een vrijstelling van 100% biedt voor de dividenden die zij van al haar dochterondernemingen in de hele wereld ontvangt – met uitzondering van dertig belastingparadijzen, waarvan het merendeel wegens hun economisch belang verwaarloosbaar is.

Dit wordt bevestigd door Denis-Emmanuel Philippe, advocaat (Bloom Law) en hoogleraar aan de ULiège, die opmerkt dat "België historisch gezien een zeer aantrekkelijk fiscaal stelsel heeft voor holdings. Dit verklaart wellicht waarom België zoveel hoofdzetels van multinationals huisvest.”6

5. Joe Biden gaat de multinationals uit de weg

Aanvankelijk pleitte VS-president Joe Biden voor een wereldwijd minimumtarief van 21%, een verdubbeling van het tarief van 10,5% waarin de VS-wetgeving al voorziet. Zoals opgemerkt in Le Soir7"heeft het huidige interne debat in de Verenigde Staten het cijfer 15% “realistischer gemaakt". Die 15% is dus niet het resultaat van een compromis met de Europese landen in de G7, hoewel dit percentage hun zeer goed moet zijn bevallen, aangezien de Europese Unie voor 10,5% ging.

Vanaf mei 2021 had Biden deze "verontrustende terugtocht" aangevat, zoals de Franse journalist Romaric Godin (Médiapart) het benoemde en waarvoor hij de volgende uitleg had: "Officieel verschuilen de Verenigde Staten zich achter de noodzaak van een wereldwijde consensus om vooruit te gaan, maar deze officiële versie is twijfelachtig. De Verenigde Staten blijven een grote mogendheid die alleen zal toegeven aan de wil van Ierland of Frankrijk wanneer zij van mening is dat dit in haar belang is. Washington gaf er de voorkeur aan hierover geen krachtmeting aan te gaan en het lijkt duidelijk dat de regering-Biden hierbij vooral van oordeel was dat dit de VS-bedrijven beter diende."

De VS-president heeft belastinginkomsten nodig om zijn ambitieuze relanceplan te financieren, maar hij botst op een aantal tegenstrijdigheden, aldus Godin: "Aangezien hij het kapitalisme wil redden en duurzaam maken, moeten in zijn visie de grote multinationals noodzakelijkerwijs zijn bondgenoten zijn. Zij zullen ten volle profiteren van de bereikte productiviteitswinst en van de betere verdeling van de rijkdom. Maar deze visie botst met die van ondernemingen die binnen de logica van het aandeelhouderskapitalisme blijven en zich de praktische vraag stellen: hoe verhogen we de rentabiliteit op korte termijn? Door stappen terug te zetten toont Joe Biden dat hij zeker niet tegen de kar van de multinationals en de financiële wereld wil rijden en is zijn manoeuvreerruimte beperkt. Hij is politiek in het nauw gedreven en moet constant toegevingen doen aan rechts.8

6. Belastinginkomsten om wat te doen?

De tegenstrijdige plannen van Joe Biden werpen ook deze vraag op: als multinationals wordt gevraagd bij te dragen om de schatkist van de overheid (iets) meer te vullen, waarvoor dienen deze extra belastinginkomsten dan?

De filosofie van de president van de Verenigde Staten is duidelijk: wat hij van multinationals afneemt, moet naar de multinationals terugvloeien via de winsten uit de productiviteit en het concurrentievermogen. Het relanceplan van de Europese Unie is minder ambitieus dan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, maar het is niet minder ingegeven door de wens om de positie van de multinationals, van wie de invloed op de instellingen van de Unie welbekend is, te versterken.

Als we bijvoorbeeld naar de Belgische versie van het herstelplan kijken, zien we dat een groot deel van de "openbare" investeringen in feite bestaat uit de financiering van kant-en-klare projecten voor particuliere bedrijven. Zo voorziet het aan windenergie gewijde deel van het federale plan in de bouw van een offshore eiland. Het gaat hier ongetwijfeld niet over offshore in de fiscale zin van het woord, maar over grotendeels door de particuliere sector beheerde windturbines, waarschijnlijk tegen tamelijk gunstige voorwaarden om investeerders aan te trekken.

Het ziet er dus naar uit dat de bescheiden wereldwijde minimumbelasting van 15% op multinationals ten voordele van multinationals zal worden geïnvesteerd.

 

1Mona Barake, Theresa Neef, Paul-Emmanuel Chouc, Gabriel Zucman, Collecting the Tax Deficit of Multinational Companies : simulations for the European Union, EU Tax Observatory, June 2021 - https://www.taxobservatory.eu/wp-content/uploads/2021/06/EUTO2021-1.pdf

2Ibidem, tabel 2, blz. 27.

3https://www.pvda.be/als_multinationals_correct_belastingen_betalen_kunnen_we_minimumpensioen_van_1500_euro_financieren

4Zie Kamer van Volksvertegenwoordigers, schriftelijke vraag nr. 6701 van Marco Van Hees aan Alexander De Croo, 29 juli 2020.

5Mona Barake, Theresa Neef, Paul-Emmanuel Chouc, Gabriel Zucman, Collecting the Tax Deficit of Multinational Companies: simulations for the European UnionEU Tax Observatory, June 2021, tabel 2, blz. 27.

6La Libre Belgique, 4 juni 2021.

7Le Soir, 7 juni 2021.

8Romaric Godin, "L'inquiétant recul de Joe Biden sur la fiscalité internationale", Mediapart21 mei 2021, https://www.mediapart.fr/journal/international/210521/l-inquietant-recul-de-joe-biden-sur-la-fiscalite-internationale

Volg de PVDA op de voet