Recht op pensioen

Iedereen heeft recht op rust en vrijheid na een leven van intense arbeid. Dat is een kwestie van maatschappelijke vooruitgang en eerlijke verdeling. De regering-Di Rupo en de regering-Michel hebben beslist ons langer te doen werken voor minder pensioen. Wij willen een ommezwaai, een eerlijk pensioen voor iedereen. We verhogen de pensioenen tot minimum 1.500 euro netto en verlagen de wettelijke pensioenleeftijd weer naar 65 jaar.

Wat wij willen

Een. Volwaardig pensioen op 65 jaar

  • We brengen de wettelijke pensioenleeftijd terug naar 65 jaar. Werken tot 67 is onrechtvaardig en onhaalbaar.
  • We maken het vervroegd pensioen weer mogelijk vanaf 60 jaar.
  • We installeren weer landingsbanen voor 55-plussers zodat werken ook voor oudere werknemers werkbaar blijft.
  • Voor wie vroeg begon te werken in een zwaar beroep behouden we het brugpensioen op 58 jaar.

“We hebben niets opgelost door de pensioenleeftijd op te trekken naar 67 jaar. We hebben geen werkbaar werk geschapen voor ouderen, geen extra jobs gecreëerd voor jongeren en mensen niet gezonder gemaakt. Het was op de keper beschouwd een simplistische maatregel die heel veel mensen in de miserie heeft gestort”. Aan het woord is de Canadese premier Justin Trudeau, een volbloed liberaal. Ook Canada had de pensioenleeftijd verhoogd naar 67 jaar. De nieuwe regering van Trudeau heeft ze, onder zware druk van heel de samenleving, terug naar 65 jaar gebracht.

Bij de verkiezingen in 2014 beloofden alle partijen uitdrukkelijk dat ze de pensioenleeftijd zouden handhaven op 65 jaar. “Er komt geen verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd”, zo stond in alle partijprogramma’s te lezen. Kiezersbedrog, zo bleek achteraf. Drie weken nadat de regering-Michel het levenslicht zag, trok een mensenzee van 120.000 verontwaardigde burgers door de straten van Brussel. De publieke opinie keerde zich tegen de regering. Het ongenoegen over het kiezersbedrog is blijven bestaan, ook vandaag nog. De sociale beweging is zich blijven verzetten. Volksvertegenwoordiger Raoul Hedebouw van de PVDA verzette zich vijf jaar in het parlement tegen de ondemocratische verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar.

Dezelfde politici die ons verplichten te werken tot 67, konden zelf nog altijd met pensioen gaan vanaf 55 jaar. En na een of twee mandaten in het Parlement hebben zij al evenveel pensioen opgebouwd als een gewone werknemer in een heel leven. Die privileges voor de politieke elite vinden wij onaanvaardbaar.

“Slechts een op de tien mensen zal effectief moeten werken tot 67 jaar”, zei liberaal Pensioenminister Daniel Bacquelaine na de grote betoging in Brussel eind 2014. Slechts een op de tien? De regering-Michel heeft de afgelopen jaren alle mogelijkheden om vroeger met pensioen te gaan afgebouwd:

  • Het vervroegd pensioen trok de regering op naar 63 jaar. Maar wie geen 42 jaar gewerkt heeft, mag niet stoppen op 63 jaar. Een drama voor vrouwen, van wie drie op de vier niet aan 42 gewerkte jaren geraken, omdat vrouwen nog altijd meer zorg-, opvoedings- en huishoudtaken op zich nemen.
  • De regering maakte de bruggepensioneerden (SWT’ers) beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Word je ontslagen met brugpensioen, dan kan je enkele weken later opnieuw opgeroepen worden te gaan werken voor een lager loon op 60 km van huis.
  • Wie een zwaar beroep uitoefent, is helemaal de sigaar. De regering beloofde een speciale regeling, maar die kwam er niet. Ook mensen met een zwaar beroep moeten nu minstens 42 jaar werken om ten vroegste op 63 met pensioen te mogen gaan. Wie geen 42 jaar gewerkt heeft – de realiteit voor heel wat poetsvrouwen, verpleegsters, verzorgsters in kindercrèches en zoveel andere mannen en vrouwen – moet nu doordoen tot 64, 65, 66 of 67 jaar.

Op 67 jaar is elk beroep te zwaar. Het is geen toeval dat de pensioenleeftijd van oudsher tussen 60 en 65 jaar ligt. Op die leeftijd hebben de meeste mensen niet meer de kracht om te functioneren zoals vroeger. 40% van de 60-jarigen heeft gezondheidsproblemen. 10% is dan al overleden, ook vandaag nog.

Onderzoek wijst uit: een minister, een eurocommissaris, een bankier of een kaderlid leven gemiddeld tien jaar langer dan een bouwvakker, een poetsvrouw, een interimarbeider, een verpleegkundige, kortom werknemers die zwaar werk verrichten. Voor de levensverwachting in goede gezondheid loopt dat verschil zelfs op tot twintig jaar. Vroeger werden de verschillen inzake levensverwachting kleiner, vandaag groeien ze opnieuw omdat de levensverwachting bovenaan de sociale ladder stijgt terwijl ze onderaan daalt. Wie een zwaar beroep heeft, is sneller versleten of opgewerkt. Maar werkgevers en rechtse partijvoorzitters willen dat niet zien. Volgens hen “zijn er geen zware beroepen, alleen zwakke lichamen”.

Iedereen heeft recht op rust en vrijheid in de herfst van zijn leven. Dat is geen “privilege”, maar een mensenrecht. Wie minder lang leeft of minder lang in goede gezondheid verkeert, heeft het recht vroeger met pensioen te gaan. Maar de regering-Michel wijst dat recht af. Ze bouwt het vervroegd pensioen af, ze schaft het brugpensioen (SWT) af en weigert veel zware beroepen als zwaar te erkennen. De eerste grote stap werd gezet in 2005 met het Generatiepact van de ministers Bruno Tobback en Frank Vandenbroucke. Vervolgens zette de regering-Di Rupo in 2012 het mes in het vervroegd pensioen en de gelijkgestelde periodes. De regering-Michel heeft vanaf 2014 de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd, het vervroegd pensioen verder afgebroken en de brugpensioenen bijna volledig afgeschaft door de leeftijd op te trekken naar 60 jaar en de beschikbaarheid in te voeren. Ze heeft tot slot, spijts alle beloftes rond werkbaar werk, ook de landingsbanen vanaf 55 jaar afgeschaft om ze pas toe te laten vanaf 60 jaar. Zo wordt het recht op rust en vrijheid aan het einde van het leven terug een privilege voor ministers, parlementairen en CEO’s, kortom voor mensen die zich alles kunnen permitteren.

Wij willen geen privileges, maar we willen wel een rechtvaardig pensioensysteem. En daarom voeren wij de leeftijden 65-60-55 terug in:

  • We brengen de wettelijke pensioenleeftijd terug naar 65 jaar.
  • We maken het vervroegd pensioen weer mogelijk vanaf 60 jaar, na een loopbaan van 40 jaar.
  • We installeren opnieuw landingsbanen voor 55-plussers, zodat werken ook voor oudere werknemers werkbaar blijft.
  • Voor wie vroeg begon te werken in een zwaar beroep behouden we het brugpensioen op 58 jaar.

Twee. Versterk het wettelijk pensioen

  • We trekken het wettelijk pensioen voor werknemers en zelfstandigen op naar 75% van het gemiddeld loon of beroepsinkomen.
  • We trekken het minimumpensioen op naar 1.500 euro netto per persoon. Wie een leven lang gewerkt heeft, heeft recht op een menswaardig inkomen.
  • We beperken het maximumpensioen tot 3.000 euro netto per maand, zijnde twee keer het minimumpensioen. Ministers en parlementairen bouwen op een of twee mandaten bijna evenveel pensioen op als gewone werknemers na een heel mensenleven. Zulke privileges maken we ongedaan.
  • We garanderen een goed pensioen voor jong en oud, geen laag “basispensioen” dat mensen verplicht bovenop nog dure, onzekere en complexe privéverzekeringen af te sluiten.

“Niemand gaat pensioen verliezen. Niemand!” Dat zei OpenVld-voorzitster Gwendolyn Rutten eind 2017. Als we vandaag de balans opmaken, dan zien we dat de regering-Michel diep in onze pensioenen sneed:

  • Afschaffing van de pensioenbonus: 180 euro minder pensioen per maand voor wie doorwerkt tot 65 jaar.
  • Loopbaanonderbreking en bepaalde vormen van tijdskrediet tellen niet meer mee voor je pensioen: 50 euro minder per maand.
  • Minder pensioen voor bruggepensioneerden (SWT’ers) die op vroege leeftijd zijn beginnen te werken: tot 140 euro pensioen kwijt per maand.
  • Minder pensioen voor werknemers die met brugpensioen gaan na een lange loopbaan, voor mensen onder de 50 jaar die werkloos worden, voor ambtenaren, voor wie nu al met pensioen is (stijging van de belastingen op pensioenen).

De pensioenleeftijd verhogen en de uitkeringen afbouwen: het is de algemene trend in Europa, een race naar de bodem. De eerste, wettelijke pijler wordt afgebroken met de belofte van een sterkere (private) tweede en derde pijler. Volgens de Europese Commissie zal het wettelijk pensioen in vergelijking met het gemiddelde loon verder dalen van 44% in 2013 naar 34,9% 2060. Dat is een vijfde minder. De Belgische vooruitzichten zijn al even belabberd. Door alle pensioenmaatregelen van de regering-Michel zullen in 2060 de gepensioneerden een kwart minder pensioen hebben dan vandaag in verhouding tot het bnp. Met andere woorden: het aantal gepensioneerden groeit, maar van de taart die wij allemaal samen bakken zal het deel dat naar de pensioenen gaat, veel minder snel groeien dan de taart zelf.

“Wie een goed pensioen wil, moet zelf zijn verantwoordelijkheid opnemen,” zegt Pensioenminister Bacquelaine. De pensioenspecialist Jan Spooren van de N-VA vult hem aan: “Wie een eigen huis heeft en wat spaargeld, moet van een pensioen van 1.100 euro kunnen leven.” Gemakkelijk gezegd, als je zelf als minister 10.000 euro per maand verdient!

De private pensioenen zijn de pensioenen van de ongelijkheid. De helft van alle uitbetaalde bedrijfspensioenen in België gaat naar 5% van de werknemers. De topman of -vrouw van een beursgenoteerd bedrijf krijgt gemiddeld een mooie pensioenpremie van 320.000 euro per jaar. Die CEO’s bouwen met allerlei fiscale voordelen een privaat pensioen op dat 100 keer hoger ligt dan dat van gewone werknemers. Zo groeit de pensioenkloof uit tot een gapende diepte.

Private verzekeraars en banken steken daarbij een belangrijk deel van onze pensioenspaarcentjes in hun zakken. Ze doen dat door tal van kosten aan te rekenen. Tot 20% van het ingelegde kapitaal ben je daaraan kwijt. De wettelijke eerste pijler is veel goedkoper. Zij is ook veel veiliger. Tijdens de laatste crisis zijn duizenden pensioenfondsen over kop gegaan. Ook in ons land is APRA Leven, een private verzekeraar, in de crisis gebleven. Duizenden werknemers zagen hun pensioencentjes in rook opgaan.

Na een leven lang werken, moet je recht hebben op een goed pensioen. Een goed pensioen, geen “basispensioen” zoals Groen voorstelt. Dat is een kwestie van rechtvaardigheid, respect en efficiëntie. De wettelijke pensioenen kosten minder en beschermen ons beter tegen verlies en waardevermindering. Maar in België zijn ze veel te laag. Wij willen een geleidelijke verhoging door volgende maatregelen stap voor stap in te voeren.

  • Vandaag krijgen werknemers en zelfstandigen als pensioen slechts 60% van hun gemiddeld loon of beroepsinkomen. Wie minder dan 45 jaar gewerkt heeft, krijgt minder dan 60% van zijn of haar gemiddeld loon. Daarom trekken wij het wettelijk pensioen voor werknemers en kleine zelfstandigen op naar 75% van hun gemiddeld loon of beroepsinkomen.
  • Daarnaast trekken we het minimumpensioen op naar 1.500 euro netto per maand om menswaardig te kunnen leven.
  • We beperken het maximumpensioen tot 3.000 euro netto per maand, zijnde twee keer het minimumpensioen. Ministers, parlementairen, gouverneurs, de hoogste magistraten en diplomaten moeten inbinden, werknemers en kleine zelfstandigen krijgen meer.
  • We trekken het loonplafond voor de berekening van het wettelijk pensioen van werknemers op naar 75.000 euro per jaar, in plaats van de 55.000 euro van vandaag. Daardoor kunnen werknemers met een hoger inkomen ook hogere pensioenrechten opbouwen binnen de wettelijke eerste pijler.

Drie. Werk de genderpensioenkloof weg

  • Meer dan de helft van de vrouwen heeft geen 1.000 euro pensioen per maand. We versterken de pensioenrechten van vrouwen en werken de ongelijkheid weg.
  • We brengen een volledige loopbaan voor vrouwen terug naar 40 jaar. Daardoor telt elk jaar een beetje meer mee voor de opbouw van het wettelijk pensioen.
  • We herstellen tijdskrediet en loopbaanonderbreking als volledig gelijkgestelde periodes voor de pensioenopbouw.
  • We zetten stappen in de richting van een 30-urenweek. Zo maken we de combinatie tussen arbeid en gezin beter haalbaar.

Vrouwen worden voor wat ze in hun leven presteerden met een kluitje in het riet gestuurd: wanneer zij met pensioen gaan hebben ze gemiddeld 34% minder dan mannen. Een kwart van de vrouwen in ons land heeft geen 750 euro pensioen per maand. Meer dan de helft van de vrouwen heeft geen 1.000 euro pensioen per maand.

Vrouwen werken veel deeltijds: 44% is dat bij ons. Niet omdat ze dat per se willen of ervoor kiezen. Ons land telt 162.000 onvrijwillig deeltijdsen en dat cijfer is vrouwelijk. Deeltijds werken is dikwijls de enige mogelijkheid om gezin en arbeid te combineren, zeker als tegelijk de “prijs” van een voltijdse baan door de kosten voor de kinderopvang te hoog is.

Vrouwen onderbreken hun loopbaan ook veel vaker, bijvoorbeeld voor zorg- en opvoedingstaken. Zeven op de tien vrouwen nemen ouderschaps- of zorgverlof, tegenover drie op de tien mannelijke collega’s. Door die onderbrekingen bouwen vrouwen een loopbaan op die korter is dan bij de mannen: negen op de tien vrouwen halen niet het aantal vereiste loopbaanjaren, inclusief de gelijkgestelde periodes, voor een volledig pensioen. Dat betalen ze dan cash met een lager pensioen.

Vroeger was een volledige pensioenloopbaan voor vrouwen gelijk aan 40 jaar. Elk jaar telde daardoor een beetje meer mee. De regering-Dehaene heeft dat verhoogd naar 45 jaar, zonder ook maar iets te veranderen aan de ongelijkheden op de arbeidsmarkt, de kosten voor kindercrèches of de zorglasten voor familieleden van oudere medeburgers. Een loopbaan van 45 jaar is lang niet overal de standaard. En dat hoeft ook niet zo te zijn. Ze is eigenlijk helemaal achterhaald. De wereld van de arbeid ziet er vandaag totaal anders uit. De vrouwelijke en ook de mannelijke loopbanen zijn steeds wisselvalliger, minder continu, dikwijls ook precair.

De regering-Di Rupo en de regering-Michel hebben de gelijkgestelde periodes voor zorg en werkloosheid afgebouwd en de voorwaarde om met vervroegd pensioen te gaan veel strenger gemaakt: 42 gewerkte jaren om op 63 jaar met pensioen te mogen gaan. Driekwart van de vrouwen komt niet aan 42 gewerkte jaren. Niet omdat ze niet zouden werken, wel omdat ze nog altijd meer zorg-, opvoedings- en huishoudtaken op zich nemen.

Onze visie op het pensioen van morgen gaat uit van kortere loopbanen en volledige gelijkstelling van zorg- en opvoedingstaken. De vroegere maatregelen in die richting willen wij herstellen:

  • We brengen de volledige loopbaan voor vrouwen terug naar 40 jaar. Daardoor telt elk jaar een beetje meer mee voor de opbouw van het wettelijk pensioen.
  • We stellen periodes van zorgverlof, ziekte en werkloosheid volledig gelijk, zoals dat voor kort het geval was.
  • We zetten in op landingsbanen met arbeidsduurvermindering vanaf de leeftijd van 55 jaar. In Oostenrijk bijvoorbeeld kunnen vrouwen vanaf 53 jaar halftijds gaan werken, met behoud van 75 procent van hun loon; dat is de populaire Altersteilzeit. Met zulke maatregelen maak je “werkbaar werk” concreet. In Denemarken zijn er voor acht op de tien kinderen onder de drie jaar opvangplaatsen in kindercrèches: dubbel zoveel als bij ons. Dát is zorgen voor alternatieven.

Een kortere pensioenloopbaan voor vrouwen is een tijdelijke oplossing die de feitelijke ongelijkheid corrigeert voor een gelijker recht op pensioen. Op termijn willen we inzetten op werkbaar werk voor iedereen, een kortere werkweek voor vrouwen én mannen, meer betaalbare opvangplaatsen voor kinderen en ouderen, een herwaardering van de zorgarbeid en een kordate aanpak van de loonkloof op de arbeidsmarkt.

Vier. Ons pensioen is een recht, geen tombola

  • We behouden een pensioensysteem waarbij je vaste rechten opbouwt voor elk gewerkt jaar, geen puntensysteem dat onze pensioenen automatisch koppelt aan de levensverwachting en de begroting, waardoor iedereen langer moet werken voor minder pensioen.
  • We installeren een rechtvaardige financiering, die onze sociale zekerheid versterkt in plaats van ze af te breken.

De regering-Michel wilde een puntensysteem invoeren. Door het pensioenverzet is dat niet gelukt. De volgende regering gaat dat opnieuw proberen, hetzelfde kiezersbedrog plegen als met de 67 jaar. Het puntenpensioen doet iedereen systematisch langer werken voor minder pensioen. Dat zien we in Zweden waar je nu al tot je 68,5 jaar moet werken om hetzelfde pensioen te krijgen. Of in Duitsland, waar de pensioenen ten aanzien van de lonen met 10% gedaald zijn na de invoering van het puntensysteem. Het puntensysteem maakt van ons pensioen een tombola. Het maakt de hoogte van je pensioen afhankelijk van factoren die niets met je eerdere loon te maken hebben en waar je geen vat op hebt: de gemiddelde levensverwachting, financiële crisissen, de begroting, de staatsschuld, het loon van andere werknemers.

Wij willen een goed pensioen, ook voor de jongeren. Ons land heeft bijna de laagste pensioenen van Europa en zelfs die zouden onbetaalbaar zijn? Ja, we leven langer. Neen, dat maakt de pensioenen niet onbetaalbaar. Want we worden ook altijd productiever. We doen alsmaar meer met minder mensen.

De toename van de productiviteit heeft vooral te maken met innovatie. Nieuwe machines en technieken nemen werk over. De menselijke geest blijft innoveren. Na de stoommachines, de verbrandingsmotor en de computer volgt vandaag, als vierde industriële revolutie, de artificiële intelligentie van de robots en machines. Ook dat zal de productiviteit van onze arbeid verder doen toenemen.

De vraag is: zetten we die stijgende productiviteit van arbeid om in rust en vrijheid na de loopbaan? Of onderwerpen we alles aan de competitiviteit, de omzet, de winst van aandeelhouders? Dat is de inzet van het pensioendebat. Wij willen samen de keuze maken om de vruchten van de groeiende arbeidsproductiviteit eerlijker te verdelen.

Het proces van vergrijzing is een proces van 20 tot 30 jaar. Wij koppelen daar een langetermijnvisie aan die de rijkdom anders verdeelt. Het is een herverdeling met vier hoekstenen. Een herverdeling vanuit de solidariteit.

  • De belangrijkste hoeksteen: de sokkel van de sociale zekerheid verbreden met meer stabiele en goed betaalde banen. Elke stijging van de tewerkstellingsgraad met 1% vermindert de vergrijzingskost met 0,5%. Voorwaarde is wel dat het over banen gaat met een goed sociaal statuut, niet over precaire pseudo-jobs waar geen sociale bijdragen op betaald worden.
  • De tweede hoeksteen is de miljonairstaks. Vorig jaar telde België 114.200 miljonairs. Op twee jaar tijd kwamen er 12.000 miljonairs bij. De overgrote meerderheid van de Belgen is voorstander van een vermogensbelasting. Een miljonairstaks raakt alleen de allerrijksten. De Federale Adviesraad voor Ouderen stelt voor de pensioenen mee te financieren met een vermogensbelasting. Dat doet ook de Commissie Pensioenhervorming. Waarom maakt dat voorstel dan nog steeds geen deel uit van het pensioendebat?
  • De derde hoeksteen is de strijd tegen grote belastingfraude en -ontwijking. Volgens nationale en internationale schattingen loopt die fraude en ontwijking in ons land op tot 9% van ons bbp. Dat is 36 miljard euro, bijna evenveel als we vandaag aan de pensioenen uitgeven. In de context van LuxLeaks, SwissLeaks, Panama Papers en Paradise Papers is een worstcase-scenario aan de orde. Minstens een deel van dat geld kunnen we recupereren als we het bankgeheim opheffen, de openbaarheid van alle financiële verrichtingen invoeren en de grote fiscale fraude ernstig bestraffen. De afkoopwet doet nu net het tegenovergestelde. Grote fiscale fraudeurs komen weg met administratieve geldboetes. Die wet maakt fiscaal frauderen rendabel!
  • Als vierde hoeksteen moeten we ook de houtworm in het systeem evalueren, te weten: de stelselmatige verlaging van de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid. Die houtworm vreet al jaren aan het stelsel en woekert verder in allerlei extralegale betalingen, vrijstellingen, loonsubsidies. Het kost de sociale zekerheid in 2018 al 16 miljard euro per jaar, zo berekende het Federaal Planbureau. Sommige van die voordelen moeten we beoordelen en koppelen aan strikte, waterdichte voorwaarden voor bijkomende tewerkstelling.

Het recht op pensioen is het recht op rust in goede gezondheid. Dat recht staat onder druk. Want gepensioneerden “brengen niets op”. En alles “wat niets opbrengt” is in dit systeem een probleem. Het is tijd daarover alarm te slaan. Ons pensioen is een recht, geen tombola. Wie zijn leven lang gewerkt heeft, heeft recht op vrijheid en rust met een fatsoenlijk inkomen. Minstens 1.500 euro. Als dat in Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken en Luxemburg kan, waarom dan hier niet?