.

Zondag 25 september gaan de Italianen naar de stembus. Volgens de peilingen zou de extreemrechtse partij van Giorgia Meloni, gesteund door de zakenmilieus, de eerste partij van het land kunnen worden. Veel Italianen zullen wellicht niet gaan stemmen. Ze geloven niet meer in de traditionele partijen. Zij hebben de sociale situatie in Italië alleen maar slechter gemaakt. Hoe is het zover gekomen?

Napolitanen die op straat komen en hun energiefactuur verbranden. Vakbonden die mobiliseren tegen de hoge prijzen. Een bakkerin die haar energierekening ziet oplopen tot 10.000 euro. De Italiaanse verkiezingen vinden plaats in een context van zware sociale problemen, die nog worden vergroot door de energiecrisis. Het land telt immers meer dan negen miljoen werklozen, werkende armen en mensen met onzekere en slecht betaalde baantjes.

Italië is het enige land in Europa waar de lonen nu lager zijn dan in de jaren negentig. De Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling voorspelt zelfs dat de reële lonen tegen het einde van het jaar nog eens met 3% zullen dalen.

Dertig jaar rampzalig liberalisme

Deze situatie is het directe gevolg van tientallen jaren neoliberaal beleid van zowel de rechtse als sociaaldemocratische regeringen. Volgens econoom Philip Heimberger van het Vienna Institute for International Economic Studies heeft sinds de jaren negentig geen enkel industrieland zoveel bezuinigingsmaatregelen doorgevoerd als Italië.

Het land heeft inderdaad grote primaire begrotingsoverschotten gerealiseerd. Dat betekent dat - schuldaflossingen niet meegerekend - de regering van het begin van de jaren negentig tot de start van Covid meer inkomsten dan uitgaven had. Dit gebrek aan overheidsuitgaven is uiteraard afgewenteld op openbare diensten, zoals de gezondheidszorg.

Sinds de jaren negentig is ook de Italiaanse arbeidsmarkt geliberaliseerd. De sociaaldemocratische regering van Matteo Renzi legde de Jobs Act op. Het resultaat? Een tragedie voor de werknemers, met een sterke toename van precaire en tijdelijke arbeidscontracten, meer nog dan in Frankrijk of Duitsland.

Na decennia van sociaal verval zijn de Italianen het zat. Verkiezing na verkiezing proberen ze met de traditionele politiek te breken. Italiaanse verkiezingen worden over het algemeen gekenmerkt door een hoog onthoudingspercentage.

Maar de afwijzing van het traditionele beleid uit zich ook op andere manieren. In 2014 won Matteo Renzi, die toen pas secretaris was van de Sociaaldemocratische Partij (Partito Democratico, PD), de verkiezingen. Hij had namelijk de hoop gewekt dat hij met de “oude PD” zou breken. Tegelijkertijd brak de Vijfsterrenbeweging door. Deze partij was sterk anti-establishment en verdedigde een aantal linkse eisen. In dezelfde periode kenden ook Matteo Salvini en zijn populistische extreemrechtse Lega Nord een razendsnelle groei. Maar toen ze eenmaal in de regering zaten, brak geen van deze partijen met het liberale model.

Extreemrechts genormaliseerd door de traditionele partijen

Dit keer zou Giorgia Meloni, die aan het hoofd staat van de neofascistische partij Fratelli d'Italia (FdI), van het ongenoegen van het Italiaanse volk profiteren. Het feit dat haar partij geen deel heeft uitgemaakt van de vorige regeringen, speelt in haar voordeel. De huidige regering van nationale eenheid staat onder leiding van voormalig president van de Europese Centrale Bank Mario Draghi. Hij krijgt de steun van alle traditionele partijen: van de uiterst rechtse Lega Nord over de PD tot Forza Italia, geleid door miljardair Silvio Berlusconi, en de Vijfsterrenbeweging. Dat heeft ervoor gezorgd dat Fratelli d'Italia de belangrijkste parlementaire oppositiemacht van het land kon worden.

Maar als het vandaag goed denkbaar is dat een neofascistische partij de toekomstige premier van Italië zal leveren, dan is dat ook omdat extreemrechts en het bijhorende gedachtegoed genormaliseerd zijn. De partijen van traditioneel rechts, zoals die van Silvio Berlusconi, vormen immers al dertig jaar een bondgenootschap met extreemrechts. Dat betekent dat ze dus al dertig jaar lang de extreemrechtse standpunten goedpraten en er zelfs in een coalitie mee regeren. Ten tweede hekelen de sociaaldemocraten de extreemrechtse Lega Nord omdat die minder migranten heeft uitgezet dan beloofd. In plaats van het fundamenteel neoliberale en antisociale beleid van extreemrechts te bestrijden, zaait de PD nog meer verdeeldheid onder de werknemers.

Meloni sluit zich aan bij het establishment

Giorgia Meloni wil niets aan het huidige economische model veranderen. Ze was eerder al minister in de regering-Berlusconi en vormt nu opnieuw een alliantie met Berlusconi en de Lega Nord. De Franse krant Le Monde wijst op de zeer hartelijke ontvangst die Meloni kreeg op het Forum van Ambrosetti. Dat is de Italiaanse versie van het Forum van Davos, waar diplomaten, grote bedrijven en traditionele politici samen aan deelnemen.

Niet zonder reden: het programma van Giorgia Meloni ligt volledig in de lijn met het beleid van de Navo en de Europese Unie. Ze is helemaal niet van plan om te breken met de bezuinigingen die de werkende klasse worden opgelegd. Ze wil zelfs het burgerbasisinkomen schrappen. Dat is op voorstel van de Vijfsterrenbeweging ingevoerd om de armoede te bestrijden, vooral in het zuiden van het land. Meloni staat vijandig tegenover stakingen en vakbonden en prijst openlijk de Britse conservatieven: de opvolgers van Margaret Thatcher, apostel van het neoliberalisme.

Bovendien focust het discours van Meloni op de drie-eenheid "God - Vaderland - Familie". Ze kant zich heel uitgesproken tegen vreemdelingen om zo miljardairs en rijken uit de wind te zetten. Meloni wil immers voorkomen dat de woede van de Italianen zich op het establishment richt en probeert die te kanaliseren naar immigranten en vluchtelingen.

Om ook in volle crisis de privileges van de rijksten te kunnen blijven beschermen, besluit Meloni dan maar de zwaksten aan te vallen. Om geld te kunnen investeren in gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en openbare diensten, zouden miljonairs zwaar moeten worden belast. Maar Giorgia Meloni ziet liever dat de mensen uit de onderste lagen met elkaar vechten om de kruimeltjes. De weigering om migranten rechten toe te kennen, komt ook sommige werkgevers goed uit. Het is voor hen interessanter om arbeidsmigranten zonder rechten verder uit te buiten.

De zoektocht naar een links alternatief

Voor werknemers biedt de Democratische Partij geen hoop op verandering. Volgens een onderzoek van de krant Il Fatto Quotidiano is de PD alleen nog de leidende partij bij de sociale klassen die meer dan 5000 euro per maand verdienen. De Vijfsterrenbeweging daarentegen zou de grootste partij zijn bij zij die minder dan 1000 euro per maand hebben. Een andere linkse lijst is de Unione Popolare van Luigi De Magistris, voormalig burgemeester van Napels. Zijn partij krijgt de steun van de Partito della Rifondazione Comunista en van de beweging Potere al Popolo (Macht aan het Volk). Met deze nieuwe aanpak hopen de partijen tot in het parlement te geraken, er een alternatieve stem te laten horen en sociale verandering te brengen.

CGIL, de grootste vakbond van Italië en nog niet zo lang geleden het doelwit van gewelddadige extreemrechtse aanvallen, belooft grootschalige mobilisaties om een duidelijk antwoord te eisen op de problemen van de mensen. Dat zal meer dan ooit nodig zijn.