Loonaandeel daalt: vragen en antwoorden over de PVDA-studie
De studie die we deze week uitbrachten, “Daling loonaandeel in België: overdracht van 15,8 miljard euro van lonen naar winsten”, lokte heel wat reacties uit. Van felicitaties tot vragen om verduidelijking, maar ook kritieken. Bij nader inzien blijken die kritieken ofwel ongefundeerd ofwel naast de kwestie.
De vier stellingen uit ons onderzoek staan pal overeind. Ze worden zelfs bevestigd.
Ja, het loonaandeel daalt.
Ja, voornamelijk als gevolg van loonmatiging en omdat de lonen achterblijven bij de productiviteitsstijging.
Ja, de daling van het loonaandeel gebeurde ten voordele van de winstmarges.
Dus ja, er is ruimte voor onze lonen en voor de sociale zekerheid. Het is een kwestie van politieke keuzes.
Laten we onze vier stellingen en de kritieken hierop eens bekijken.
1. Het loonaandeel daalt
Knack bevestigt: “De PVDA bouwt met haar studie verder op een onderzoek dat de Nationale Bank in september 2025 publiceerde over de evolutie van het loonaandeel in België, en dus over de evolutie van de gecreëerde welvaart die naar de bezoldiging van werknemers gaat. Of nog anders gezegd: hoe de ‘economische taart’ verdeeld wordt tussen arbeid en kapitaal. Uit die studie bleek toen al dat het loonaandeel in België sinds 2013 is gedaald, terwijl het in het eurogebied over die periode eerder stabiel is gebleven.”
De onderzoekers van de Nationale Bank bevestigen in hun interview aan Knack ook hun studie van september 2025 waarin ze zelf concluderen dat het loonaandeel daalt.
Ook Axel Ronse (N-VA-fractieleider in de Kamer) bevestigt onze hoofdconclusie. Hij schrijft: “Een studie van de Nationale Bank (NBB) toonde aan dat het aandeel van de lonen in onze totale welvaart was gedaald. In 2014 ging 64 op 100 euro naar de lonen, in 2024 nog 59 euro.”
Dit feit wordt dus door niemand weerlegd.
2. De daling van het loonaandeel is voornamelijk het gevolg van loonmatiging en doordat de lonen de stijging van de productiviteit niet volgen
De onderzoekers van de Nationale Bank beamen dit in het interview : “In onze studie zien we dat de productiviteit tussen 2013 en 2024 is gestegen, maar de reële lonen, dus rekening houdend met de inflatie, zijn niet in dezelfde mate gestegen als de productiviteit. En dat heeft dan weer te maken met het beleid van loonmatiging dat in die periode werd gevoerd. Tijdens de regering-Michel was er een taxshift met een verlaging van de patronale bijdragen en in 2015 was er een indexsprong, dus de automatische loonindexering werd een keer overgeslagen.”
Axel Ronse probeert onze studie te verdraaien. Hij schrijft: “De communisten verzwijgen de oorzaak: onder impuls van de N-VA heeft de overheid de loonlasten voor werkgevers en werknemers fors verlaagd.”
Neen, meneer Ronse, we verzwijgen de oorzaak niet, ze staat letterlijk in onze studie: “De socialezekerheidsbijdragen van werkgevers – die rechtstreeks naar de sociale zekerheid gaan en in het bijzonder naar de pensioenen, werkloosheids- en ziekteverzekering – zijn gedaald van 16,03% van de toegevoegde waarde in 2014 naar 13,37% in 2024. De belangrijkste reden voor deze daling is de taxshift van de regering-Michel.”
Na de poging tot verdraaiing, begint Ronse één van de minst onderbouwde economische fabeltjes te verkondigen, namelijk dat die taxshift jobs zou opleveren. Faut le faire. Hij verzwijgt ondertussen het echte gevolg van de taxshift: geen extra jobs, wel meer rijkdom richting kapitaal.
Ronse sleurt er nog een andere verdraaiing bij. We zouden gezegd hebben dat “dit land een probleem van ongelijkheid heeft”. Hij vindt dat lachwekkend. Erg op zich. Maar vooral, hij vergist zich opnieuw: daar gaat onze studie niet over. Hij mag gerust eens gaan luisteren bij bijvoorbeeld professor André Decoster van de KU Leuven die het onderzocht en concludeerde dat ongelijkheid in ons land groter is dan verwacht.
Onze studie gaat ook niet over koopkracht. Koopkracht is een individueel nettoresultaat. Het loonaandeel is een primaire verdelingsvariabele van de bruto toegevoegde waarde. De cijfers die we naar voor schuiven hebben betrekking op het volledige loon (direct en indirect, bruto en sociale bijdragen). Uiteraard, wanneer het indirecte loon daalt, wordt de factuur nadien doorgeschoven naar de werkende klasse in de vorm van hogere pensioenkosten en langer werken. Tot 67 jaar? Tot 70 jaar?
Maar terug naar de kern van de zaak. Onze studie stelt dat de daling van het loonaandeel voornamelijk het gevolg is van loonmatiging en doordat de lonen de stijging van de productiviteit niet volgen. Er zijn andere elementen die meespelen, maar ze zijn bijzaak.
Dit staat ook letterlijk in de studie van de Nationale Bank:
“De stijging van de gemiddelde winstmarges sinds 2014 is gedeeltelijk te wijten aan samenstellingseffecten (voor ongeveer een derde): activiteiten met hogere winstmarges hebben hun relatieve belang in het bbp zien toenemen. De farmaceutische industrie, maar ook de vastgoedontwikkelingsactiviteiten zijn voorbeelden hiervan. Het grootste deel van de stijging kan echter niet worden verklaard door dergelijke verschuivingen in de structuur van de economische activiteit, maar wordt verklaard door toegenomen winstmarges binnen individuele bedrijfstakken, zowel in de verwerkende industrie als de dienstensector. Een belangrijke conclusie van onze analyse is dat de loonkosten veel minder stegen dan de arbeidsproductiviteit (wat samenvalt met een dalend aandeel van de lonen in het nationale inkomen). Dit is het gevolg van de verschillende beleidsmaatregelen om het kostenconcurrentievermogen van Belgische bedrijven te verbeteren, zowel via de loonnormen (die de reële loonstijging beperken) als via ad-hocmaatregelen in de periode na 2014, zoals de tijdelijke opschorting van de indexeringsmechanismen en de verlagingen van de door de werkgever betaalde socialezekerheidsbijdragen.”
3. De daling van het loonaandeel is ten goede gekomen aan de winstmarges
Het loonaandeel begint sterk te dalen vanaf 2013. De winstmarges beginnen in die periode sterk te stijgen. Toeval? Uiteraard niet. Wat de factor lonen verloor, vloeide grotendeels naar de winsten.
We citeren uit het rapport van de Nationale Bank: “Volgens de macro-economische statistieken vertonen de brutowinstmarges van Belgische bedrijven op lange termijn een opwaartse trend, met een aanzienlijke versnelling vanaf 2014. Ook na de daling vanaf 2022 die wordt waargenomen in de recentste statistieken blijven ze nog steeds op een zeer hoog niveau.”
De Nationale Bank ontkent niet dat het loonaandeel daalt en de winstmarges stijgen. De auteurs maken er in het interview dan maar een ideologisch debat van: “En daarnaast willen we toch ook dat onze bedrijven gezond blijven en winst maken om de werkgelegenheid van de werkende mens te kunnen garanderen?”
Wij pleiten uiteraard voor financieel gezonde bedrijven. Maar een structurele stijging van het winstaandeel in de toegevoegde waarde, ten koste van de lonen, brengt verschillende problemen met zich mee.
In de meeste economieën is de binnenlandse vraag “loon-gedreven” (wage-led), wat betekent dat zij sterker afhangt van het loonaandeel dan van het winstaandeel. Een structurele daling van het loonaandeel kan de consumptie onder druk zetten, wat een rem zet op de groei en op de economie in haar geheel.
Met andere woorden: een economie waarin het loonaandeel afneemt, is een economie waarin de onevenwichten tussen consumptie, investeringen en productie toenemen. Deze onevenwichten zijn zelden tekenen van een goede economische gezondheid en vormen vaak voorbodes van crises.
4. Dit toont aan dat er ruimte is voor onze lonen en voor de sociale zekerheid
Onze studie toont aan dat er ruimte is voor onze lonen en voor de sociale zekerheid als we de verhouding tussen arbeid en kapitaal corrigeren. Dat is een kwestie van politieke keuzes. Zoals Ann Vermorgen (ACV) ook stelt: “Door politieke keuzes die werknemers benadelen wordt de koek groter maar voor wie ze bakt blijft er steeds minder over.”
De vakbonden eisen echte brutoloonsverhogingen. Bert Engelaar (ABVV): “Ik wil niet dat de zoveelste nettopremie op tafel wordt gelegd. Ik wil brutoloonsverhoging voor de mensen. Als daar marge voor is, laat dat onder sociale partners halen.” ABVV heeft een duidelijk standpunt: “Werknemers moeten het recht krijgen om hun lonen collectief te onderhandelen, volgens de criteria die ertoe doen: productiviteit, stijgende winstmarges, inflatie.”
De politiek kan die loonmarge mogelijk maken. Wij steunen de vakbonden in hun vraag om loonsverhogingen te kunnen onderhandelen tussen sociale partners. Maar doen ook andere partijen dat? Het is een kwestie van politieke keuzes.