Peter Mertens: "Theo draait weer door"
Na de betoging van 50.000 mensen afgelopen vrijdag in Brussel, richtte Theo Francken de ene beschuldiging na de andere naar de PVDA. Hij ging zelfs zo ver om de partij in verband te brengen met het geweld dat in de marge van de betoging plaatsvond. Peter Mertens, onze algemeen secretaris, reageert op die aanvallen en hekelt een gevaarlijke politieke strategie om de oppositie te criminaliseren en het sociaal protest de mond te snoeren.
Door Peter Mertens, algemeen secretaris van de PVDA.
Vrijdag kwamen 50.000 mensen op straat in Brussel. Vakbonders, leerkrachten, cultuurwerkers, mensen uit het middenveld en jongeren. Veel jongeren. Een indrukwekkende mensenmassa, met spandoeken, muziek, slogans en vooral veel woede. Woede tegen een regering die opnieuw 10 miljard euro in onze zakken wil komen zoeken, met een hogere btw en aanvallen op onze index. Woede tegen een beleid dat jongeren hun toekomst ontneemt met besparingen op onderwijs, duurder openbaar vervoer en het eeuwig neerbuigende refrein dat ze er allemaal niets van begrepen hebben.
In de marge van die massamobilisatie vonden vernielingen plaats van straatmeubilair, bussen en deelsteps, samen met confrontaties met de politie. Zoals alle media die vrijdag ter plaatse waren duidelijk maakten had dat niets met de betoging zelf te maken.
Toch was dat reden genoeg voor onze Minister van Oorlog om fel uit zijn Lubbeekse sloffen te schieten. De « rode kameraden van de socialistische vakbond», zo schreef hij, kwamen naar buiten « om te betogen tegen de regering. Gevolg, half Brussel vernield. » En de daders? De « zwarte antifa-stoottroepen van Hedebouw, Joske D'haese en co », natuurlijk.
Rode kameraden, zwarte stoottroepen, antifa, half Brussel vernield. Het is grotesk. De vraag is niet langer waarom Francken zulke aantoonbaar onjuiste beschuldigingen verspreidt. De vraag is waarom hij dat zo systematisch doet.
Eerst beweerde hij met een uitgestreken gezicht dat er OCAD-rapporten bestaan die de PVDA aan straatgeweld linken. Zo’n rapport bleek niet te bestaan. Vervolgens dreigde hij met antiterrorismewetgeving tegen het progressieve festival ManiFiesta. Nu fantaseert hij over antifascistische « stoottroepen » waartegen het « geweldniveau » moet worden « opgeschaald » (sic!).
Dit is geen eenmalige oprisping. Het begint verdacht veel op een politieke methode te lijken. Eerst plak je de oppositie het etiket van extremisme en geweld op. Dan herhaal je de beschuldigingen week na week tot ze een eigen leven gaan leiden. En vervolgens gebruik je diezelfde beschuldigingen als argument om de oppositie juridisch aan te pakken. De beschuldiging moet het bewijs worden. Handig, wanneer je geen bewijs hebt.
Want terwijl Francken op sociale media zijn eigen kleine kruistocht voert, werkt de regering aan de zogenaamde wet-Quintin. Die moet de uitvoerende macht verregaande bevoegdheden geven om organisaties die zij als te radicaal beschouwt, buiten spel te zetten. In de jongste ontwerpteksten kunnen zelfs politieke partijen onder het toepassingsgebied vallen. En laat de aangehaalde gronden voor ingrijpen nu net sterk lijken op de beschuldigingen die Francken al maanden tegen de PVDA afvuurt. Toeval bestaat, maar zoveel toeval verdient toch enige aandacht.
En dan is er de merkwaardige fascinatie van onze minister voor het opvoeren van geweld. In dezelfde Facebookpost waarin hij de PVDA beschuldigt van straatgeweld, kondigt hij trots aan dat Defensie het FN303-wapen heeft besteld. Een wapen « tegen casseurs », schrijft hij. « Het wordt tijd dat we eindelijk het geweldniveau opschalen en de controle terugnemen. »
Lees dat nog eens. Tienduizenden mensen komen op straat tegen besparingen. En een minister antwoordt met een pleidooi om het geweldniveau op te schalen. Niet de minister van Binnenlandse Zaken, maar de minister van Defensie. Die blijkbaar zijn militaire ambities ook graag op het thuisfront botviert.
De ervaringen in Frankrijk met zogenaamd minder dodelijke politiewapens zouden nochtans tot voorzichtigheid moeten aanzetten. Daar hebben jongeren door politieprojectielen al een oog, een hand of een deel van hun arm verloren. Maar Francken ziet vooral kansen om de spierballen te laten rollen.
Dat past in een bredere politieke logica. Terwijl zijn regeringspartners het kindergeld onder druk zetten en besparen op het onderwijs, stuurt Francken gezinnen brieven om hun zonen en dochters warm te maken voor het leger. Liefst zou hij ook de militaire dienstplicht opnieuw invoeren. Jongeren die een betaalbare bus en beter onderwijs eisen? Een kakikostuum, een helm en een flinke portie militaire discipline zullen ze wel mores leren. Zo krijgt het begrip jeugdbeleid een geheel nieuwe betekenis.
En dan is er nog dat eindeloze gescheld op « antifa ». Alsof tegen fascisme zijn iets verdachts is. Alsof antifascisme niet een van de belangrijkste lessen is die Europa uit zijn geschiedenis heeft getrokken.
Op 11 april 1945 namen gevangenen van het naziconcentratiekamp Buchenwald, terwijl de geallieerde troepen naderden en de beulen van de SS halsoverkop op de vlucht sloegen, zelf de controle over het concentratiekamp over. Het kamp wordt bevrijd door de gevangenen zelf. Op de appelplaats leggen de dappere overlevenden de eed van Buchenwald af: « nooit meer fascisme, nooit meer oorlog ». Twee opdrachten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Geen toeval dat juist die twee principes vandaag steeds vaker onder vuur liggen.
Francken heeft overigens geen patent op deze strategie. Ze doet sterk denken aan het politieke draaiboek van Trump in de Verenigde Staten, aan de aanvallen op La France Insoumise in Frankrijk, aan de pogingen om Die Linke na haar verkiezingsoverwinning in Berlijn te delegitimeren, en aan de verdachtmakingen van Zohran Mamdani in New York. Eerst de linkerzijde voorstellen als een bedreiging voor de openbare orde, vervolgens de democratische ruimte inperken waarin die linkerzijde actief is. Het is weinig origineel, maar daarom niet minder gevaarlijk.
Het opvallendste aan Franckens tirades is uiteindelijk wat erin ontbreekt. Geen woord over de besparingen op onderwijs. Geen woord over de koopkracht van gezinnen. Geen antwoord op de duizenden jongeren die zich zorgen maken over hun toekomst. Alleen beschuldigingen, verdachtmakingen en de aankondiging van nieuwe wapens.
Wie geen antwoord heeft op de sociale woede, probeert de sociale oppositie tot het probleem te maken. Wie het debat over de inhoud verliest, wil het debat over de openbare orde voeren.