Vijf redenen waarom PVDA de indexdiefstal en accijnsverhoging wil tegenhouden
De federale regering moest de indexblokkering en de accijnsverhoging op gas al een eerste keer uitstellen. En als het van PVDA afhangt, blijft het daar niet bij. De linkse partij vindt deze maatregelen bijzonder onrechtvaardig, zeker op een moment waarop de energieprijzen door het dak gaan. Maar er zijn nog meer redenen om deze maatregelen een halt toe te roepen.
Één. De regering moet de koopkracht beschermen, niet aanvallen
Het is waanzin dat de regering precies op dit moment de blokkering van de index en de verhoging van de accijnzen op gas — 78 euro extra taksen per jaar voor een gemiddeld gezin — wou doorduwen. De illegale oorlog tegen Iran jaagt de olie- en gasprijzen omhoog, waardoor energie opnieuw duurder wordt en de inflatie weer dreigt op te drijven. Want als energie duurder wordt, wordt alles duurder: van je energiefactuur tot je boodschappenkarretje. Dat is 'warflation': een oorlog die werkende mensen mee betalen aan de pomp en aan de kassa.
Dit is net het moment waarop de regering de koopkracht van werkende mensen moet beschermen. De automatische indexering is daarvoor een goed instrument: ze zorgt ervoor dat lonen en uitkeringen de prijsstijgingen een stuk bijbenen. De index mag dan ook niet worden afgezwakt, vertraagd of geplafonneerd: elk gemorrel aan de index betekent koopkrachtverlies voor werkende mensen. En dan zijn er nog de hogere accijnzen op gas: alsof de factuur nog niet hoog genoeg was.
Ondertussen verdient de staat zelf aan deze energiecrisis — tot 94 miljoen euro per maand aan extra btw-inkomsten. Zonder de oorlogsprofiteurs te vergeten: de oliemultinationals die opnieuw hun zakken vullen.
>>> Ontdek onze studie en onze concrete voorstellen om de energieprijzen te drukken
Twee. De regering moet het advies van de NAR en de CRB ernstig nemen
Op 1 maart vroeg premier De Wever de Nationale Arbeidsraad om advies over de indexmaatregelen, met een termijn van 30 dagen. Die termijn was nog niet verstreken of de regering agendeerde de wet al voor de plenaire vergadering van de Kamer van 25 maart. De NAR moest de regering duidelijk maken dat zij haar eigen regels met de voeten trad en vroeg het debat uit te stellen, iets wat de oppositiepartijen uiteindelijk gedaan kregen.
De NAR en de CRB brachten op 31 maart 2026 een gezamenlijk advies uit. Dat advies is bikkelhard, zowel over het gebrek aan respect van de regering voor het sociaal overleg als over de inhoud. De Raden oordelen dat de indexblokkering “zeer complex en onduidelijk is en gebaseerd is op een onvoldoende afgebakend begrotingskader” en dat zij “tal van vragen doet rijzen”. Het advies bevat een hele reeks opmerkingen over de technische en administratieve complexiteit van het mechanisme, die de taak van werknemers- en werkgeversorganisaties bemoeilijkt, zowel om bestaande cao’s correct toe te passen als om de duidelijkheid en leesbaarheid ervan in de toekomst te waarborgen.
Gezien het grote aantal opmerkingen van de NAR en de CRB zou het niet ernstig zijn om hun advies gewoon voor kennisgeving aan te nemen en de programmawet te stemmen zonder eerst de tijd te nemen om dat advies te analyseren en de nodige aanpassingen te onderzoeken. De regering moet dus de tijd krijgen om het advies van de NAR en de CRB, alsook de adviezen van de andere adviesorganen, te bestuderen. Als er aanpassingen aan de tekst volgen, zal ook een nieuw advies van de Raad van State nodig zijn.
Donderdag 2 april dient de PVDA een amendement in om de bepalingen over de index uit de programmawet te halen, zodat dit proces correct kan verlopen. Anders handelen is het sociaal overleg met de voeten treden.
Drie. De indexdiefstal schendt het recht op collectieve onderhandeling
In België valt de loonindexering in de privésector onder de autonomie van werknemers- en werkgeversorganisaties en wordt ze uitsluitend geregeld via cao's. Door die regels de facto te wijzigen, treedt de programmawet een sociaal grondrecht met de voeten, gegarandeerd door artikel 23 van de Grondwet, maar ook door het Europees Sociaal Handvest (artikel 6), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 11), het Handvest van de grondrechten van de EU (artikel 28) en het IAO-verdrag nr. 98 (artikel 4).
En dit is niet de eerste keer. In november 2022 bevestigde het Comité voor vrijheid van vereniging van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) uitdrukkelijk dat de Belgische loonnormwet onverenigbaar is met de vrijheid van collectief overleg1. De IAO beval de regering aan er iets aan te doen, zonder resultaat.2 Integendeel: de regering legde de maximale loonmarge vast op 0 % voor de periode 2023-2024. De indexblokkering komt daar nu bovenop. Het is het gecumuleerde totaaleffect dat telt om na te gaan of de programmawet het recht op collectieve onderhandeling respecteert.
De indexblokkering raakt bovendien de cao's over functieclassificaties en loonbarema's. Omdat niet alle lonen op dezelfde manier worden geïndexeerd, verandert de loonstructuur — en dat blijvend: de memorie van toelichting stelt uitdrukkelijk dat het matigingseffect "duurzaam wordt verankerd in de verdere loonontwikkeling". Artikel 54 gaat verder: de paritaire comités en de werknemers- en werkgeversorganisaties kunnen de matiging op geen enkele manier neutraliseren. Een functieclassificatie en een loonstructuur uitwerken is een werk van lange adem. De indexblokkering gooit dat werk overhoop. Het is eens te meer een inbreuk op het recht op collectieve onderhandeling.
In hun gezamenlijk advies van 31 maart zijn de werknemersvertegenwoordigers in de NAR en de CRB duidelijk: deze maatregel vormt een "eenzijdige inbreuk op de autonomie van het sociaal overleg, niet alleen op interprofessioneel niveau (onder andere de adviesvraag over de wet van 1996 en de index), maar ook op sectoraal en ondernemingsniveau, wegens de eenzijdige aftopping van de indexmechanismen en, hieruit volgend, ook de barema- en loonstructuren in de sectoren en de ondernemingen. Dat is in tegenspraak met de Europese aanbeveling over de versterking van de sociale dialoog en het IAO-verdrag nr. 98 betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen. De sociale vrede op die niveaus zou zo in het gedrang kunnen komen."
Vier. De regering trapt haar eigen regeerakkoord met de voeten
De indexblokkering gaat in tegen de beloften van de regering zelf. Het regeerakkoord is nochtans duidelijk: “We behouden het principe van de automatische indexering om de lonen te beschermen zodat werknemers hun levensstandaard kunnen behouden, ook wanneer de prijzen van goederen en diensten stijgen. Het is een garantie voor stabiliteit, niet alleen voor de burgers maar ook voor de economie. Het biedt namelijk een belangrijke bescherming aan de particuliere consumptie”
Bovendien herinneren de NAR en de CRB er in hun gezamenlijk advies van 31 maart 2026 aan dat de regering hen gevraagd heeft om uiterlijk op 31 december 2026 advies uit te brengen over de hervorming van de loonnormwet en het systeem van automatische indexering. Ze "betreuren dat dit ontwerp van programmawet hun besprekingen nu verstoort. Die verstoring maakt het voor de sociale partners complexer en neteliger om die werkzaamheden voort te zetten."
Vijf. De indexplafonnering voor sociale uitkeringen is onrechtvaardig en tegenstrijdig
De indexblokkering treft ook de pensioenen. De programmawet voorziet in een plafonnering van de indexering van pensioenen boven 2000 euro bruto per maand — alsof dat luxepensioentjes zijn. Die vaste drempel houdt geen rekening met de gezinssamenstelling: boven 2000 euro moet een gezinspensioen twee mensen laten rondkomen. Dat is in strijd met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, zoals geïnterpreteerd door het Grondwettelijk Hof.
En er is meer: het gegarandeerde minimumpensioen voor gezinnen bedraagt 2305,44 euro bruto sinds 1 maart 2026 — het valt dus zelf boven het gehanteerde plafond. De regering zegt de laagste pensioenen te beschermen, maar treft net het gegarandeerde minimumpensioen.
Hetzelfde probleem stelt zich voor de andere sociale uitkeringen. De minimale invaliditeitsuitkering voor een regelmatige werknemer met gezinslast bedraagt 2108,60 euro bruto sinds 1 maart 2026: ook boven het gehanteerde plafond dus.
Ten slotte treft de indexblokkering ook de werkloosheidsuitkeringen, maar op een bijzonder tegenstrijdige manier. De regering heeft zelf de uitkeringen tijdens de eerste zes maanden van werkloosheid verhoogd. Ze gebruikte die verhoging in haar memorie van toelichting als argument om de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd te rechtvaardigen. En nu, via de indexblokkering, haalt ze diezelfde verhoging gedeeltelijk weer onderuit. Met de ene hand geven, met de andere hand terugnemen. Dat is niet alleen tegenstrijdig — het is ook mogelijk in strijd met de standstillverplichting uit artikel 23 van de Grondwet.
Het Comité stelt vast dat de Belgische regering erkent dat er grenzen zijn aan de onderhandelingsvrijheid van de werknemers- en werkgeversorganisaties op het gebied van loonevolutie, met name als gevolg van de verplichting om de maximale marge te respecteren die aan het begin van het proces door het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt berekend. Het Comité constateert een aanzienlijke beperking van de capaciteit van de werknemers- en werkgeversorganisaties om autonoom te onderhandelen over de evolutie van het loonniveau in de privésector. In dat verband herinnert het Comité eraan dat het aan de partijen is om te bepalen over welke kwesties onderhandeld wordt en dat de bepaling van de criteria waarmee de partijen rekening houden bij het vaststellen van de lonen (stijging van de kosten van levensonderhoud, productiviteit, enz.) een onderhandelingsaangelegenheid tussen die partijen is.
Op basis van deze vaststellingen beveelt het Comité de regering aan "de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de werknemers- en werkgeversorganisaties vrij kunnen beslissen over de criteria waarop zij hun onderhandelingen over de loonontwikkeling op intersectoraal niveau baseren en over de resultaten van deze onderhandelingen." (Internationale Arbeidsorganisatie, 400e verslag van het Comité voor vrijheid van vereniging, Casus nr. 3415 (België))"