We brengen de PVDA dichter bij jou en jou dichter bij de PVDA.!

Download onze app

LGBTI+

Gelijkheid, respect, en solidariteit zijn kernwaarden voor ons. Niemand mag slachtoffer zijn van discriminatie of geweld. De strijd van de LGBTI+ beweging (lesbische, gay/homoseksuele, biseksuele, transgender en intersekse personen) heeft al voor veel vooruitgang gezorgd. Maar discriminatie komt nog steeds voor in allerlei vormen. Verworven rechten liggen opnieuw onder vuur, vooral uit (extreem)rechtse hoek. Wij verzetten ons tegen elke tactiek van verdeel-en-heers en kiezen voor eenheid.

De mensheid is een diverse soort. We komen voor in verschillende vormen, kleuren en maten. Ook op vlak van liefde, seks en identiteit zijn we niet allemaal hetzelfde. Gelukkig maar! Vooral sinds de jaren 1960 zijn homo’s, transgender personen en andere zogenaamde ‘queers’ (Engelse geuzenterm, letterlijk ‘apart, excentriek’) zich gaan organiseren om te strijden voor gelijke rechten.

Na een halve eeuw strijd is er veel veranderd. De ‘homobeweging’ van vroeger is uitgegroeid tot een brede en diverse emancipatiebeweging. De jaarlijkse betogingen voor gelijkheid en zichtbaarheid zijn uitgegroeid tot grote Pride-parades met tienduizenden bezoekers. De zichtbaarheid van LGBTI+ mensen en thema’s in de media en populaire cultuur is sterk toegenomen. Vooral de afgelopen tien jaar is de mentaliteit snel geëvolueerd, onder meer dankzij de sociale media die jongeren toelaten om zichzelf uit te drukken en te herkennen in anderen. 

Oude opvattingen over de ‘abnormaliteit’ van homoseksualiteit blijven echter sluimerend voortbestaan. Bovendien worden die ideeën vaak opnieuw aangewakkerd door sommige politieke krachten die de mensen willen verdelen. De laatste jaren zien we bijvoorbeeld toenemende haat tegen transgender personen vanuit extreemrechtse hoek. Of we zien hoe rechtse partijen de LGBTI+ gemeenschap proberen uit te spelen tegen de moslimgemeenschap. Of de oude generaties tegen de jongeren. De PVDA verzet zich tegen deze verdeel-en-heers tactieken. Wij kiezen voor eenheid en solidariteit. Waarden als gelijkheid en respect voor elk individu zitten in ons DNA.

In navolging van de meeste middenveldorganisaties, kiezen wij er in deze tekst voor om het letterwoord LGBTI+ te gebruiken als verzamelterm. Dat staat voor Lesbisch, Gay/Homo, Biseksueel, Transgender en Intersekse. De ‘+’ geeft aan dat we verwijzen naar de hele gemeenschap en partners, ook als hun ‘letter’ niet expliciet vermeld staat.

Op wettelijk vlak heeft de strijd van de LGBTI+ beweging al heel wat successen geboekt in ons land. Discriminatie op basis van gender of seksuele voorkeur is verboden. Homofobe of transfobe drijfveren (haat jegens homo/transgender personen) worden beschouwd als een verzwarend motief bij elk misdrijf en leiden dus tot een zwaardere straf. Er zijn ook meldpunten voor homofobe of transfobe incidenten, zowel bij de politie als bij mensenrechteninstituten zoals Unia. 

Toch is er in de praktijk nog altijd een verschil tussen de letter van de wet en wat zich werkelijk afspeelt. Volgens het meest recente rapport van Unia was haat tegen LGBTI+ personen het op één na meest voorkomende motief bij haatmisdrijven in 2022, na racisme. In bijna de helft van de gevallen ging het over haatmisdrijven met fysiek geweld. De cijfers zijn helaas in stijgende lijn en men gaat bovendien uit van een grote onderrapportering. In de ranglijst van landen waar LGBTI+ personen het vaakst slachtoffer worden van fysiek of seksueel geweld staat België op een trieste derde plaats na Polen en Roemenië, zo blijkt uit een studie van de European Union Agency For Fundamental Rights.

Na de verschrikkelijke moorden met homofoob motief op Ihsane Jarfi en Jacques Kotnik lanceerden de diverse regeringen in ons land in 2013 een gemeenschappelijk interfederaal actieplan tegen homofoob en transfoob geweld. Dat actieplan liep in 2019 ten einde. Ondanks herhaaldelijk aandringen van Unia, kwam er geen nieuw actieplan dat alle beleidsniveaus omhelst. Om eindelijk werk te maken van een alomvattende aanpak van homofobie en transfobie, zorgen wij voor een nieuw interfederaal actieplan onder leiding van de federale staatssecretaris voor Gelijke Kansen en in samenspraak met het middenveld.

De eerste as waar we op werken, is sensibilisering en preventie. Dat gebeurt via gerichte en aangepaste campagnes in de media, het sport- en verenigingsleven, het onderwijs, op de werkvloer en online. Maar tegelijk kunnen we niet toestaan dat geweldplegers ongestraft blijven. We zorgen voor een effectieve bestraffing van élke dader, in de eerste plaats met leer- of herstelstraffen zodat ze zich bewust worden van wat hun daden aanrichten bij het slachtoffer.

Voor slachtoffers is de drempel naar hulpverlening vaak nog altijd groot. Een vereenvoudiging van de klachtenprocedure kan daarbij al deels soelaas bieden. We zorgen ervoor dat slachtoffers maar één keer hun verhaal moeten doen bij een meldpunt naar keuze (politie of gelijkekansenorgaan). Van daar gaat het dossier dan met hun toestemming naar de bevoegde instanties. We garanderen gratis slachtofferhulp in de vorm van psychologische begeleiding. We houden slachtoffers op de hoogte van wat er met hun klacht gebeurt. Tot slot informeren we de LGBTI+ gemeenschap beter over de verschillende meldpunten en klachtenprocedures. We communiceren openlijk over de sensibiliseringsopleidingen die politiekorpsen, slachtofferhulp en andere diensten volgen om de stap naar hulpverlening te verkleinen.

Jonge LGBTI+’ers worden nog vaak door hun familie aan de deur gezet. Dit maakt hen sociaal en psychisch kwetsbaar. Ze hebben in die omstandigheden opvang en sociale begeleiding nodig en een efficiënte bemiddeling met het thuisfront. Ook moet iemand hen steunen in hun schoolcarrière. We zorgen ervoor dat elke grote stad een opvangplek kan bieden aan jonge LGBTI+’ers. Indien nodig moet het OCMW steun bieden.

Pesterijen en andere vormen van discriminatie op school zijn nog altijd dagelijkse kost. Dat zorgt enerzijds voor kwetsbaarheid of zelfs mentale problemen bij LGBTI+ jongeren en anderzijds geeft het kinderen en jongeren de boodschap mee dat haatdragende ideeën en praktijken tegenover LGBTI+ personen ‘normaal’ zijn. Vandaar het belang om van jongs af aan in te zetten op preventie en sensibilisering. Dat begint bij opleiding voor de directies en leerkrachten, zodat zij elke dag op een gepaste manier kunnen omgaan met pestgedrag, haatspraak of polarisatie. Daarnaast voorzien we doorheen het schoolparcours momenten voor emotionele, relationele en affectieve vorming. De focus ligt daarbij op wederzijds respect. In het middelbaar besteden we ook aandacht aan LGBTI+ onderwerpen in de lessen over emotionele, relationele, affectieve en seksuele opvoeding.

De acties moeten altijd aangepast zijn aan de leeftijd, de doelgroep en de realiteit van elke school. Als jongeren het gevoel krijgen dat ze een ‘agenda’ worden opgedrongen, kan dat averechts werken. Dries De Smet van Wel Jong, een Vlaamse LGBTI+ organisatie voor jongeren, pleit daarom voor begrip en empathie in de twee richtingen: “Mensen die lgbtq-personen verbaal of fysiek aanvallen, doen dat in veel gevallen omdat ze geen ander legitiem kanaal vinden om zich beter te voelen en zichzelf te bewijzen.” “Natuurlijk zijn er grenzen en mogen lgbtq-personen hun vrijheid niet laten beknotten, maar dat wil niet zeggen dat we ons er niet van bewust moeten zijn dat er dingen zijn waarmee anderen het nog moeilijk hebben. Zolang ze zich niet agressief opstellen, moeten we ook leren aanvaarden dat sommige mensen een andere mening hebben. Alleen dan kunnen we naar elkaar luisteren en stappen vooruit zetten.”

Heel wat van onze rechten zijn het resultaat van de strijd van sociale bewegingen, minderheidsgroepen en onderdrukte of uitgebuite groepen. De middenveldorganisaties vormen de ruggengraat van deze democratische en emancipatorische strijd.  De verschillende LGBTI+ verenigingen hebben de ervaring en de contacten om het verschil te maken in het gevecht tegen discriminatie en voor gelijkheid. We betrekken hen vanaf nu dan ook structureel bij elke beleidsbeslissing die hen aanbelangt, op elk beleidsniveau.

Wij willen het middenveld structureel ondersteunen en herfinancieren. We hebben langetermijninitiatieven nodig om in de diepte te kunnen werken. Onder het mom van besparingen zijn er steeds vaker alleen nog tijdelijke projectsubsidies beschikbaar. Dat is kortzichtig en zorgt ervoor dat enkel projecten die passen in het kraam van de regering kunnen worden uitgevoerd. Dat verhindert diepgaande actie op de lange termijn en beknot de vrijheid van de experten op het terrein om hun kritische werk te kunnen doen. We streven naar een maximale samenwerking tussen verenigingen, koepels en overheden in plaats van hen onderling te laten concurreren om een beperkte subsidie binnen te halen.

De noden van het terrein verschillen naargelang de plaats, de doelgroep en de situatie. We streven naar een veelzijdig net van middenveldorganisaties die in elke wijk en gemeente, in elke gemeenschap en rond elke vorm van gender of seksuele oriëntatie actief zijn. Belangrijk daarbij is dat we een sterke eerstelijns en tweedelijns hulpverlening uitbouwen om de kwaliteit van de opvang en de continuïteit van de follow-up te garanderen. Momenteel zijn de mensen die op het terrein werken verplicht om zich te concentreren op eerstelijns hulp en hun cliënten door te verwijzen naar een tweedelijns netwerk dat ze zelf, vaak informeel, hebben opgezet.

Sommigen willen een loyaal en volgzaam middenveld, als verlengstuk van de regering. In het noorden van het land wil de Vlaamse regering, in de eerste plaats N-VA, de kritische rol en soms actieve oppositie van het middenveld beknotten. In het zuiden van het land worden veel maatschappelijke organisaties bedreigd door het gebrek aan financiering als gevolg van de budgettaire beperkingen van de Franstalige Gemeenschap. De PVDA deelt de angst voor de toekomst van het maatschappelijk middenveld en daarom zullen we er alles aan doen om de onafhankelijkheid ervan te garanderen en het vrij te laten om een kritische stem te laten horen.

Al is er op wettelijk vlak al veel vooruitgang geboekt, toch kan en moet de overheid in al haar facetten meer doen om discriminatie te bannen. Op vlak van adoptie en pleegouderschap ontbreekt een duidelijk wettelijk kader om onderscheid op basis van seksuele geaardheid of gender te verbieden. 

Ambtenaren, agenten en hulpverleners hebben opleiding en vorming nodig over de nieuwe wetgeving om misverstanden, onhandige vragen en administratieve rompslomp te vermijden. In het algemeen geldt dat alle personeel, dat in contact staat met het publiek, meer over de thematiek gesensibiliseerd moet worden. Al te dikwijls worden LGBTI+ personen geconfronteerd met gênante, indiscrete of stigmatiserende vragen: bij het erkennen van het kind van een vrouwelijk koppel, bij de procedure die een transgender persoon moet doorlopen, bij een klacht tegen homofobe agressie, … De opleiding van politiepersoneel verdient bijzondere aandacht. Nog al te vaak is er sprake van tactloze of indiscrete behandeling van slachtoffers, van ongepaste vragen, van onderschatting van de verzwarende omstandigheden van de agressie en soms zelfs van het in vraag stellen van die agressie. Gerichte opleiding nemen ook het probleem van handelingsverlegenheid weg: agenten die het goed voorhebben maar niet goed weten hoe ze met specifieke doelgroepen moeten omgaan en daardoor dichtklappen of fouten maken. 

Om discriminatie in al haar vormen te stoppen, moet ze bestraft kunnen worden. Er is een antidiscriminatiewetgeving, maar als de overheid discriminatie niet opspoort, blijven deze wetten dode letter. Met praktijktesten brengen we daar verandering in. De verschillende overheden voeren zelf praktijktesten uit op de arbeidsmarkt en woningmarkt. Ook praktijktesten uitgevoerd door erkende middenveldorganisaties gelden als bewijslast in de rechtbank. In de eerste plaats reageren we op overtreders met bewustmaking en een officiële waarschuwing. Indien nodig, gaan we over tot sancties. We straffen werkgevers en vastgoedbedrijven in verhouding tot de grootte van hun onderneming.

Sommige steden en gemeenten hebben nu al een schepen van Gelijke Kansen die onder meer bevoegd is om discriminatie op basis van gender en seksuele oriëntatie op lokaal niveau te bestrijden. We veralgemenen dit naar alle gemeenten van het land. Gemeentebesturen staan vaak dichter bij de bevolking en de verenigingen en kunnen dus ook beter inspelen op de realiteit van het terrein. Het interfederaal actieplan stippelt uit op welke assen we prioritair werken.

Sommige asielzoekers zijn hun land ontvlucht omdat ze slachtoffer waren van vervolging vanwege hun seksuele geaardheid of hun genderidentiteit. Zij dienen opvang te krijgen in degelijke, kleinschalige structuren met gesensibiliseerd personeel. Daar kan hun aanvraag eerlijk en humaan, zonder stereotypering en zonder vooroordelen onderzocht worden.

Het verbod op bloeddonaties voor mannen die de afgelopen twaalf maanden seks hadden met een andere man is al jaren een doorn in het oog van LGBTI+ verenigingen en mensenrechtenorganisaties, omdat het stigmatiserend en discriminerend is. Het klopt dat mannen die seks hebben met mannen de doelgroep vormen die het vaakst HIV-besmet bloed heeft, maar ook bij deze groep is het aantal HIV-besmettingen al jaren in dalende lijn. Bovendien zijn er grote onderlinge verschillen tussen de levenswijzen van homoseksuele mannen waar deze algemene regel geen onderscheid in maakt. Ook bij heteroseksuele personen is er natuurlijk een grote verscheidenheid aan levensstijlen en dus ook aan mogelijk risicogedrag. Een beleid dat meer inzet op individuele screening en naar het risicogedrag van elke potentiële donor peilt, zonder discriminatie op basis van seksuele oriëntatie, is dus eerlijker én veiliger. In onder meer Nederland, Frankrijk, Spanje, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten zijn de restricties voor homoseksuele mannen daarom grotendeels of helemaal opgeheven. 

In België lag een wetsvoorstel op tafel om de ‘wachttijd’ in te korten naar drie maanden. Huisarts en PVDA-parlementslid Sofie Merckx steunde het voorstel, maar merkte op dat het nog steeds om een veeleer symbolische ingreep ging, want de grote meerderheid van de homoseksuele mannen zou nog altijd geen bloed kunnen geven. Uiteindelijk werd het wetsvoorstel tegengehouden door minister Frank Vandenbroucke (Vooruit). We schrappen elke verwijzing naar seksuele oriëntatie uit de wet en stellen een veilige richtlijn op die rekening houdt met het effectieve risicogedrag van elk individu. We houden daarbij rekening met de aanbevelingen van het Rode Kruis om te gaan naar een individuele testing van de bloedstalen, een doorgedreven bevraging tijdens de donorselectie en alternatieven voor de mobiele bloedcollectes die meer privacy toelaten om te peilen naar het individueel risicogedrag.

LGBTI+ personen, en homoseksuele mannen in het bijzonder, zijn de grootste slachtoffers van HIV. Al kunnen behandelingen de effecten van de ziekte binnen de perken houden, toch blijft de ziekte ongeneeslijk en dodelijk. In het eerste decennium van de HIV-epidemie heeft de LGBTI+  beweging moeten strijden tegen het stigma. Ze heeft de overheid moeten aanzetten maatregelen te nemen en te voorzien in betaalbare behandelingen. Het was een gevecht tegen de farmaceutische industrie en de overheid met als inzet: planmatig aids bestrijden. Daar kwam een strategie van preventie en zorgverlening uit. Maar deze botst op haar grenzen: de epidemie wordt niet verder teruggedrongen.

Toch zijn er nieuwe middelen. PrEP, een preventieve behandeling, is daar één van. Er zijn nu ook snelle screenings beschikbaar. Maar die zijn nog te weinig verspreid en worden ook niet terugbetaald, hoewel je er HIV snel mee kan opsporen. Dat is belangrijk want veel besmettingen zijn te wijten aan het feit dat de dragers van het virus niet weten dat zij drager zijn. In België hebben we elf erkende multidisciplinaire aidsreferentiecentra (ARC’s). Die geven informatie, advies, ondersteuning en begeleiding over HIV en seksueel overdraagbare aandoeningen. Maar niet in alle ARC’s kan je ook terecht voor medische begeleiding van PrEP. Dat willen wij rechttrekken. We hebben in het hele land centra nodig die deze tests en screenings kunnen uitvoeren, informatie kunnen verstrekken en de mensen die een PrEP-behandeling willen starten, kunnen begeleiden. We zien die rol ook weggelegd voor centra voor gezinsplanning en de wijkgezondheidscentra. Tegelijk willen we de HIV-preventiecampagnes intensiever voeren. Het is belangrijk dat alle middelen en campagnes tegen de verspreiding van HIV ook beschikbaar zijn voor vrouwen en mensen buiten het LGBTI+ netwerk.

Veel gezondheidszorg voor transgender en interseksuele personen wordt nog niet volledig terugbetaald. We willen die terugbetaling gewaarborgd zien, zowel voor hormoontherapie en eventuele geslachtsoperaties als voor psychosociale begeleiding. Daarnaast willen we inzetten op meer personeel en onderzoek om de wachtlijsten in de trans zorg aan te pakken. Een uitbreiding van het aantal ziekenhuizen en zorgpraktijken met transgenderzorg is daarvoor een must. We willen ook een einde maken aan het psychiatriseren van trans personen, ook minderjarigen. 

Er bestaat in België geen officiële definitie van intersekse en dus ook geen expliciete bescherming van de lichamelijke integriteit van intersekse personen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) definieert intersekse personen al tien jaar als ‘personen met atypische geslachtskenmerken’ en verzet zich tegen praktijken zoals gedwongen sterilisatie. Artsen grijpen echter nog vaak terug naar het verouderde concept Disorders of Sex Development (DSD) dat ten onrechte impliceert dat intersekse een aandoening is die medisch moet worden verholpen. Daardoor komen er in ons land nog geregeld operaties voor op interseksuele baby’s en kinderen die vanuit medisch oogpunt niet noodzakelijk zijn, maar wel een grote impact hebben op de latere ontwikkeling. Hanne Gaby Odiele, een intersekse internationaal topmodel afkomstig uit West-Vlaanderen, getuigde enkele jaren geleden over de gevolgen van zo’n ingreep die hen als tienjarige moest ondergaan: “Ik ben niet om medische, maar om cosmetische redenen geopereerd: mijn lichaam moest en zou in een van de twee geslachtshokjes – in mijn geval het vrouwelijke – passen.” “Het straffe is dat ik er door mijn operatie in medisch opzicht op achteruit ben gegaan. Ik ben al sinds mijn tiende in mijn menopauze. Ik heb veel meer kans op het ­ontwikkelen van botontkalking. En dan zwijg ik nog over de psychologische trauma’s.” Jongeren moeten oud genoeg zijn en zelf in staat zijn om wel of niet in te stemmen met zo’n belangrijke beslissing. Ze hebben voldoende tijd nodig om uit te zoeken wat hun genderidentiteit is. We zetten sensibiliseringscampanges op voor artsen en medisch personeel om te voorkomen dat intersekse personen nog buiten hun wil om geslachstoewijzende operaties ondergaan. Indien nodig werken we hierrond richtlijnen uit.

Ook voor oudere LGBTI+ personen is aandacht vereist. Vaak zijn de voorzieningen waar zij mee in contact komen nog lang niet mee met de tijd. We zorgen ervoor dat rust- en verzorgingstehuizen toegankelijk zijn voor een LGBTI+ publiek en leiden het personeel op in de thematiek. Het is onaanvaardbaar dat LGBTI+ personen zich op hun oude dag verplicht voelen om weer ‘in de kast te kruipen’.

Geslachtsverandering is, zeker voor jongeren, een gevoelig en intensief traject. De wet laat momenteel geen biologische geslachtsverandering toe voor minderjarigen. Andere stappen zoals hormoontherapie of veranderen op administratief vlak zijn wél mogelijk voor 18 jaar.

Wij staan eerder achter de huidige wetgeving, die het resultaat is van strijd vanuit de LGBTI+ beweging. Op dit moment is er de facto geen minimumleeftijd voor hormoonbehandelingen. Voor cosmetische ingrepen is de minimumleeftijd 16 of 17 en voor de laatste stap, de effectieve geslachtsveranderende operaties (zoals het wegnemen van de teelballen of de baarmoeder en eierstokken) geldt de minimumleeftijd van 18 jaar. Wij horen noch vanuit de medische wereld noch vanuit het middenveld geluiden dat die wetgeving niet goed zou zijn. Op vlak van transgenderzorg denken we dat het nu vooral belangrijk is om de wachtlijsten terug te dringen en de terugbetaling van het hele transitietraject mogelijk te maken.

Ja, de PVDA wil een einde maken aan de straffeloosheid bij online haatspraak. Dat willen we doen door te investeren in justitie om de assisenprocedure, met volksjury dus, eenvoudiger te maken. Vandaag is geschreven haatspraak tegen vrouwen, holebi’s of transgenders wettelijk gezien al strafbaar en kan dit in principe vervolgd worden voor het Hof van Assisen. In de praktijk gebeurt dat echter niet. Klachten worden doorgaans geseponeerd omdat er te weinig middelen zijn voor assisen. Dat komt door jarenlange besparingen, onder meer in 2016 door de Zweedse regering. Het opstarten van een assisenproces met volksjury is in België een nodeloos lange en omslachtige procedure. Voor de PVDA is het versterken van assisen sowieso een belangrijke eis, omdat de volksjury een democratische vorm van rechtspraak is die de kloof tussen burger en justitie helpt verkleinen. Op vlak van vereenvoudiging kijken we onder meer naar Frankrijk, waar een volksjury op één week of zelfs één dag meerdere gelijkaardige zaken na elkaar kan behandelen. Dat zou de vervolging van strafbare feiten zoals online haatspraak aanzienlijk vergemakkelijken.

In 2021 ondernam de Vivaldi-regering een (mislukte) poging om online haatspraak en andere zogenaamde ‘persmisdrijven’ (strafbare feiten in geschreven vorm) makkelijker te vervolgen door de grondwet aan te passen. Artikel 150 van de Belgische grondwet bepaalt namelijk dat persmisdrijven altijd door een volksjury moeten berecht worden. Dit is een democratisch controlemechanisme om de vrijheid van meningsuiting te vrijwaren, zodat kritiek op het regime mogelijk is zonder dat beroepsrechters het in de kiem kunnen smoren (iets wat de opstellers van de Belgische grondwet hadden ervaren tijdens het Hollands bewind). Dat is een belangrijke democratische erfenis die we moeten beschermen. De grondwetswijziging die Kristof Calvo (Groen) namens Vivaldi naar voren schoof, bracht net die vrijheid van meningsuiting in gedrang door een zeer vage omschrijving voor te stellen: men wou de uitzondering voor racisme en xenofobie (toegevoegd aan artikel 150 in 1999) vervangen door een uitzondering voor ‘aanzetten tot haat’.

Over die uitzondering voor racisme kan men discussiëren, maar het is ten minste een min of meer duidelijk afgebakend begrip. De omschrijving ‘aanzetten tot haat’ daarentegen laat allerlei interpretaties toe die het doel voorbij schieten en de vrijheid van meningsuiting in gedrang brengen. De twee liberale partijvoorzitters van Vivaldi maakten er in een dubbelinterview in 2021 bijvoorbeeld geen geheim van dat wat hen betreft ook het voorstel van de miljonairstaks van de PVDA onder ‘aanzetten tot haat’ valt en dus ook correctioneel vervolgd zou kunnen worden. Het toont goed aan dat de grondwetgever in 1831 gelijk had om extra voorzichtigheid op te leggen rond de vrijheid van meningsuiting. Natuurlijk zou de discussie anders zijn geweest als er een meer precies voorstel tot aanpassing was geweest met een meer welomlijnde formulering. Maar hoe dan ook wensen wij niet te wachten op een mogelijke grondwetswijziging om terug te investeren in assisen en op die manier de straffeloosheid reeds aan te pakken.

Meer info: https://www.pvda.be/nieuws/waar-het-liberalisme-van-de-liberalen-gebleven