We brengen de PVDA dichter bij jou en jou dichter bij de PVDA.!

Download onze app

Ruimtelijke ordening

Minder in de file staan, meer groene ruimte, betaalbaar wonen, een betere weerbaarheid tegen overstromingen en droogtes: het begint allemaal bij een slimme ruimtelijke ordening. Wij kiezen voor een ruimtelijke ordening op maat van mensen, niet van bouwpromotoren. We zorgen voor steden en gemeenten waar het goed en betaalbaar wonen is. Zo kunnen we meer ruimte geven aan de natuur en de landbouw. Op die manier bereiden we ons ook voor op de gevolgen van de opwarming van de aarde.

Wie België vanuit de lucht bekijkt, ziet een versnipperd landschap waarin woongebieden, lintbebouwing, landbouw, natuur en industrie kriskras door elkaar liggen. Woonwijken in de achtertuin van fabrieken. Industriële landbouwbedrijven naast natuurgebieden. Steenwegen vol met files midden in de velden. Vlaanderen is daarmee Europees kampioen versnippering. Wie Vlaanderen vanuit de lucht bekijkt ziet vooral beton. Nog steeds verharden we in Vlaanderen elke dag 5 hectare grond. Dat zijn 10 voetbalvelden per dag. 

 

Het is tijd om die versnippering een halt toe te roepen, om de schaarse groene ruimte te bewaren, om comfortabel en duurzaam wonen te stimuleren, om de files en het razende verkeer aan te pakken. Daarom kiezen we voor duurzame steden en dorpskernen, met betaalbare woningen in aangename, groene wijken waar je je vlot kan verplaatsen met de fiets, te voet of met een uitstekend openbaar vervoer. Steden, dorpen en landelijke gemeenten waar bewoners elkaar (leren) kennen en in alle diversiteit samenwerken. Op die manier kunnen we de verkaveling en versnippering stoppen en plaatsmaken voor landbouw en natuur. Zo beschermen we ons ook beter tegen droogtes en overstromingen.

 

Het is tijd voor een slimme ruimtelijke ordening. Een ruimtelijke ordening op maat van werkende mensen. Niet van projectontwikkelaars, speculanten en grootgrondbezitters. Terwijl het zelfs voor tweeverdieners met een goed loon bijna onmogelijk is geworden om een huis te bouwen en terwijl meer en meer mensen zich blauw betalen aan slecht geïsoleerde huurwoningen, beloont de Vlaamse regering speculanten en grootgrondbezitters door ze royaal te vergoeden. Ze leggen de bouwpomotoren geen strobreed in de weg om onze kostbare open ruimte vol te bouwen met prestigeprojecten en luxeflats en -woningen. Daarom nemen we de sleutels van de ruimtelijke ordening opnieuw in eigen handen, veilig op een afstand van de klauwen van ‘Koning Beton’.

Om Vlaanderen eindelijk uit de versnipperaar te halen hebben we nood aan een globaal plan en een duidelijke visie. Het is tijd voor een échte ruimtelijke planning, weg van de ‘ieder voor zich’-mentaliteit. Dat er in Vlaanderen nog heel wat stappen te zetten zijn op dat vlak bewijst de Pano-reportage ‘Bouwpromotor baas?’ uit 2022. In Antwerpen houden  projectontwikkelaars mee de pen vast bij de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s), waarin wordt vastgelegd hoe een gebied gebruikt mag worden (bv. landbouw, wonen of enkel natuur). Niet alleen de N-VA van burgemeester Bart De Wever maar ook coalitiepartners Vooruit en Open Vld zien daar blijkbaar geen graten in. In Merchtem zijn twee Open Vld-schepenen gewoon zélf projectontwikkelaar. Het schepencollege, waar ze deel van uitmaken, beslist daar dus over bouwprojecten die zij als projectontwikkelaar willen uitvoeren. Dat soort toestanden moet definitief tot het verleden behoren. 

 

De basis van ons plan is kernverdichting. Nieuwe woningen en gebouwen plaatsen we bij voorkeur in de gemeentekernen, in steden maar ook in landelijke gemeenten, niet langer versnipperd in lintbebouwing langs steenwegen. En al helemaal niet in ‘prestigeprojecten’ en luxeflats van bouwpromotoren, die momenteel zowel in de steden als op het platteland als paddenstoelen uit de grond schieten.

 

Om het leven in de stad aantrekkelijk te maken, voeren we een woonbeleid dat betaalbaar en kwaliteitsvol wonen boven de winsten van vastgoedspeculanten plaatst. We creëren meer groene ruimte in en rond de stad en zetten in op collectieve moestuinen en stadslandbouw, zo maken we het leven in de stad aangenaam.

 

Een duidelijke visie op ruimtelijke ordening helpt ook bij het ontwarren van de mobiliteitsknoop in ons land. We brengen wonen en werken dichter bij elkaar. Diensten en voorzieningen plannen we in de woonwijken, in plaats van grote hypermarkten te bouwen aan de rand van de stad. Op die manier maken we de afstanden die mensen moeten afleggen korter. We maken ook werk van ‘vervoersknooppunten’, waar je van de bus op de trein kan overstappen, je fiets kan stallen of een tram kan nemen. Combineer dat met beter openbaar vervoer en het resultaat zal zijn dat veel meer mensen de trein of de bus verkiezen boven de auto. In Zwitserland tonen ze dat zo’n aanpak werkt. Nieuwe woonzones, bedrijfsterreinen of onderwijscampussen leggen we aan bij zulke knooppunten.

 

Om op een objectieve manier de invulling van onze open ruimte te plannen en dat dus niet meer over te laten aan projectontwikkelaars en hun bevriende schepenen, maken we een kansenkaart. Die kansenkaart stellen we op aan de hand van factoren zoals bereikbaarheid met het openbaar vervoer, de aanwezigheid van wandel- en fietswegen en voorzieningen in de buurt. Op basis daarvan kunnen we objectiever bepalen waar er nog gebouwd kan worden en hoe we de openbare ruimte indelen. Veel bouwzones dateren immers uit ruimtelijke plannen van 30 à 40 jaar geleden. Tijd dus voor een grondige update.

Dagelijks verdwijnen in Vlaanderen 10 voetbalvelden open ruimte onder een laag beton of asfalt. Meer beton en asfalt betekent minder water dat de grond binnensijpelt:16 procent van de gronden in Vlaanderen en 10 procent in Wallonië zijn al ondoorlaatbaar. In de jaren ‘70 was dat in Vlaanderen nog maar 5 procent. Daardoor stroomt het regenwater via de riolen veel sneller naar beken en rivieren en doet daar het peil snel stijgen. 

 

Het stijgende peil van rivieren kan desastreuze gevolgen hebben. Midden juli 2021 werd België getroffen door een ongeziene overstroming. 39 mensen lieten het leven en duizenden waren hun huis kwijt. De verzamelde regeringen van ons land lieten de getroffen burgers in de steek. Gelukkig schoten vrijwilligers vanuit heel het land de mensen wél massaal te hulp. Ook de SolidariTeams van de PVDA trokken vanaf de eerste dag na de overstromingen naar het getroffen gebied om de slachtoffers te helpen. Ze schepten mee kelders leeg, ze maakten soep, ze brachten spullen naar gezinnen die alles verloren waren. De overstromingen leerden ons ook dat we niet langer mogen bouwen in overstroombare gebieden. Gebieden met een groot waterbergend vermogen zetten we om naar natuur-, bos- of parkgebied.

 

Een ander gevolg van de massale verharding en het slecht doorsijpelen van regenwater zijn de slinkende grondwatervoorraden. ‘Verboden je auto te wassen’, ‘zwembad vullen mag niet meer’, we kennen allemaal de krantenkoppen tijdens de hittegolven. Maar als regenwater wel goed kan insijpelen, dan zijn we veel beter bestand tegen de vaker voorkomende hittegolven en de daarbij horende droogtes.

 

In 2018 kwam de Vlaamse Regering met een plan om de verharding te stoppen: de ‘betonstop’. Het  algemeen principe van die betonstop: verharden mag niet meer, tenzij je als compensatie ergens anders onthardt. De bedoeling was om de toename van verharding in Vlaanderen vanaf 2025 te beperken tot 3 hectare per dag en te reduceren tot 0 (geen netto-toename) vanaf 2040. De betonstop zou de ruimtelijke versnippering een halt toeroepen en de open ruimte vrijwaren. 

 

Om zo’n betonstop te realiseren moet je gronden herbestemmen. Dat betekent bijvoorbeeld woongebied (waar nog niet op gebouwd is) omzetten naar natuur- of landbouwgebied. Dat stuk grond verliest daardoor natuurlijk een deel van haar waarde. Het is dan ook maar eerlijk dat de eigenaars van die grond vergoed worden.

 

Maar wat besliste de Vlaamse Regering van N-VA, Open Vld en cd&v, tegen het advies van hun eigen experts in? Dat eigenaars een compensatie krijgen op basis van de marktwaarde van de grond en niet op basis van de aankoopwaarde. Al in 2020 probeerde Jos D’Haese, PVDA-fractieleider in het Vlaams Parlement, de regering uit te leggen waarom dat een slecht idee is: “Er is gekozen voor de huidige marktwaarde. Die huidige marktwaarde beloont natuurlijk net die speculanten die die gronden niet kopen om er iets op te zetten maar om ze later aan hogere prijzen te kunnen doorverkopen. Op die manier zal dit decreet ertoe leiden dat er miljarden euro’s aan belastinggeld naar die grootgrondbezitters en speculanten vloeien.” Wij stoppen met cadeaus uit te delen aan speculanten en grootgrondbezitters. Eigenaars waarvan we de grond herbestemmen, worden vergoed aan de (geïndexeerde) aankoopprijs. Dat zorgt voor een eerlijke compensatie.

 

De ‘betonstop’ of, de ‘bouwshift’ zoals de Vlaamse regering het herdoopte, is door die beslissing een asociaal verhaal geworden. Jonge gezinnen, werkende mensen die een klein spaarpotje hebben opgebouwd, zien hun droom van een eigen woning steeds vaker in rook opgaan. Terwijl aan de andere kant speculanten langs de kassa passeren en bouwpromotoren wél nog vergunningen krijgen om open ruimte aan te snijden. 

 

Ook wij blijven pleiten voor ruimteneutraliteit: geen open ruimte verharden zonder ze elders te compenseren. Maar we kiezen voor een sociaal alternatief op de betonstop. We stoppen met het vergunnen van ‘prestigeprojecten’ en luxeflats. Tegelijk ondersteunen we werkende mensen die duurzaam willen bouwen en organiseren we publieke renovatiegolven. Zo bouwen en verbouwen we volgens de noden van de mensen en niet volgens de wintslogica van de projectontwikkelaars.

 

Ook de grote bedrijven en supermarkten laten we een steentje bijdragen (of eerder weghalen). Van hen verwachten we dat ze tegen 2030 al hun verharde oppervlakten terug doordringbaar maken of het water opvangen en bergen voor hergebruik of infiltratie. 

 

De Vlaamse Regering besliste niet alleen om de ‘betonstop’ onbetaalbaar en asociaal te maken. Ze schuift de factuur ook nog eens door naar de steden en gemeenten. Dat die daar niet tevreden mee zijn blijkt uit heel wat uitspraken van burgemeesters van cd&v, Open Vld en N-VA. Een greep daaruit: "Vlaanderen lijkt met deze regeling te zeggen: après nous, le déluge", "Wij wilden 60 tot 70 hectare herbekijken, maar dat plan zal nu tot 2040 in de koelkast belanden. Ik denk dat geen enkele gemeente dat kan betalen. De motivatie is weg, ik ben ontgoocheld", "Als we toch de nieuwe regeling moeten toepassen, kunnen we die factuur allicht niet betalen."

 

Wij schuiven de factuur niet langer door naar de gemeenten. Dat betekent niet dat gemeenten geen verantwoordelijkheid meer dragen. Zij blijven een belangrijke rol spelen bij het ontharden van hun oppervlakte. Daarom stellen we in elke gemeente een onthardingsambtenaar aan die alles in goede banen leidt en ervoor zorgt dat werkende mensen niet de dupe worden van onthardingsmaatregelen.

We doen aan kernverdichting, maar niet door mensen te verbieden ergens te wonen. Wel door te zorgen dat het aangenaam leven is in die ‘kernen’, in de steden, de gemeenten en de dorpen. We zorgen ervoor dat het betaalbaar is om er te wonen, dat mensen zich vlot en veilig kunnen verplaatsen, dat er plaats is om je te ontspannen, dat alle diensten in de buurt zijn. Daar knelt op dit moment de schoen. Wonen is hoe langer hoe meer onbetaalbaar voor werkende mensen. Projectontwikkelaars kopen en (her-)ontwikkelen gronden en panden en hebben daarbij één focus: zo veel mogelijk winst maken. Het gevolg is een wildgroei aan dure appartementen en exclusieve lofts en een groeiend tekort aan betaalbare woningen.

 

Wij gaan voor gemeenten op mensenmaat. In elke wijk, in elke gemeente, in elke dorpskern, zorgen we voor een gevarieerd woningaanbod. Gezinnen met kind, alleenstaanden, gepensioneerde koppels, een groep jonge werkenden, iedereen zou in elke wijk een betaalbare woning moeten vinden, welke samenlevingsvorm er ook gekozen wordt. Zo zorgen we voor diverse en betaalbare wijken en steden.

 

We zorgen voor steden waar alle basisfuncties aanwezig en bereikbaar zijn voor iedereen. Steeds vaker is dat niet meer het geval. Zo verdwijnen er steeds meer bankautomaten. Mensen moeten tegenwoordig meerdere dorpen ver om geld af te kunnen halen. Wij pleiten voor scholen, winkels, zorg, cultuur en bankautomaten dicht bij huis. Liefst in elke wijk, gemeente of dorpskern.

 

Alle basisfuncties dicht bij huis betekent ook kortere verplaatsingen. Mensen zullen vaker te voet, met de bus of de fiets naar het werk of de winkel kunnen gaan. We zetten volop in op het mogelijk maken van kortere verplaatsingen en zorgen ervoor dat mensen de keuze kunnen maken om de wagen te laten staan. Een kwalitatief en betaalbaar openbaar vervoer in de stad (en daarbuiten) is daarvoor cruciaal. We zetten ook in op goede fiets- en wandelinfrastructuur. 

 

Aangenaam wonen betekent ook wonen in een groene omgeving. Groen in en rond de stad draagt bij aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid. Denk maar aan de hittegolven die ons elke zomer treffen. Steden worden dan hitte-eilanden waar het talrijke beton de warmte opslorpt. Groen kan tijdens zo’n hittegolf voor wat verkoeling zorgen, ook mensen die in de stad wonen hebben daar recht op. Daarom zorgen we voor meer groenzones in de stad en leggen we meer stadsrandbossen aan.

Bossen zijn de longen van onze planeet. Ook bij ons zijn bossen heel belangrijk: voor het klimaat en om waterschaarste en luchtvervuiling tegen te gaan. Maar ook als ontspanningsplek, om tijdens een deugddoende wandeling het hoofd leeg te maken. We doen er dus alles aan om de natuur, het groen en de bossen die we nog hebben te beschermen. We geven hierbij prioriteit aan de meest waardevolle en oude bossen.

 

Dat is nodig want onze bossen staan onder druk. Bomen worden omgehakt om plaats te maken voor parkings of industriegebieden. In 2020 wilde Zuhal Demir, minister van Omgeving, nog 23 hectare van de Groene Delle in Limburg laten kappen. De Groene Delle, dat is een waardevol natuurgebied, met heel veel bomen, broekbossen en natte valleien. Dat waardevol stukje natuur moest dus plaats ruimen voor ‘economische ontwikkeling’ en dat terwijl er in de buurt heel wat industrieterreinen leeg staan.

 

Maar gelukkig bestaat de Groene Delle nog. De minister moest plooien, dankzij een brede protestbeweging gesteund door de PVDA. Zo organiseerden we wekelijkse wandelingen, fietstochten en stille protesten. Samen met het actiefront ‘Red De Groene Delle’ haalden we 40.000 bezwaarschriften en petities op tegen het kappen van de bomen. Die druk heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat de minister een bocht heeft moeten nemen. 

 

Niet alleen bossen beschermen is belangrijk, we hebben ook nieuwe bossen nodig. Al in 1997 maakte de Vlaamse Regering de afspraak om te zorgen voor 150.000 ha natuurgebied en 53.000 ha bosgebied. Dat betekende toen 38.000 ha natuurgebied en 10.000 ha bosgebied extra. Ondertussen, meer dan een kwarteeuw later, realiseerde de Vlaamse regering amper de helft van het natuurgebied dat nodig is. Met het aantal nieuwe bossen is het nog slechter gesteld. Sinds 1997 kwam er maar 2.300 ha bos bij, één vijfde van wat de Vlaamse Regering zichzelf oplegde. 

 

Wij maken wél een prioriteit van het realiseren van nieuwe natuurgebieden en bossen. Buiten de stad, maar ook in en rond de stad. Met nieuwe stadsrandbossen en meer open water verhogen we de leefbaarheid en temperen we de hittegolven. 

 

Respect voor de toekomst gaat samen met zorg voor het verleden. We dragen zorg voor ons cultureel en industrieel erfgoed en gaan op zoek naar nieuwe sociale, ecologische of interculturele invullingen. We laten bijvoorbeeld sociale of culturele verenigingen leegstaande gebouwen of sites gebruiken voor hun werking. Zo blazen we vaak verloederde sites een nieuw leven in, in plaats van ze te slopen of te verkopen aan projectontwikkelaars.