We brengen de PVDA dichter bij jou en jou dichter bij de PVDA.!

Download onze app

Pensioenmalus treft ook de minimumpensioenen

In tegenstelling tot eerdere verklaringen, zullen ook de minimumpensioenen getroffen worden door de malus. In het gelekte voorontwerp van wet staat expliciet deze sanctie ook van toepassing is op het gewaarborgd minimumpensioen. 

vrijdag 6 maart 2026

Kim De Witte zit ontspannen op de trappen van een groot gebouw

door Kim De Witte
volksvertegenwoordiger en pensioenspecialist PVDA

Samenvatting

De pensioenhervorming komt in een stroomversnelling terecht. Aanstaande vrijdag 6 maart wil minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA)  zijn Pensioenwet laten goedkeuren op de ministerraad. Een van de speerpunten in die wet is de pensioenmalus. De malus is een boete voor iedereen die op vervroegd pensioen wil gaan, vóór 66 en binnenkort 67 jaar, zonder voldoende effectief gewerkte dagen. 

In tegenstelling tot eerdere verklaringen, zullen ook de minimumpensioenen getroffen worden door de malus. In het gelekte voorontwerp van wet staat expliciet deze sanctie ook van toepassing is op het gewaarborgd minimumpensioen. 

Dus, wie na 42 gewerkte jaren recht heeft op een minimumpensioen van 1.688 euro per maand (bruto), zou in de toekomst een malus kunnen krijgen van 20 procent als hij of zij stopt met werken op 63 jaar. Dat betekent dat het minimumpensioen voor die persoon nog 1.350 euro zal bedragen. 

Bijna vier op de tien vrouwen (37 procent) zullen getroffen worden door de malus, ondanks de gelijkstelling van ziekte. Dat komt omdat zij nog steeds vaker deeltijds werken. Maar liefst 40 procent van de vrouwen werkt deeltijds, omdat zij gemiddeld 4,5 uur per dag aan huishoudelijke taken en zorgtaken besteden (bijna twee keer zoveel als mannen). Volgens de Raad van State houdt de malus dan ook een ongelijke behandeling in die niet redelijk verantwoord door de regering. De vraag is of zij overeind zal blijven na een beroep tegen de wet bij het Grondwettelijk Hof. 

Het gemiddelde pensioen van de mensen die een risico lopen om de malus te krijgen, bedraagt 1.755 euro bruto. Het gaat dus sowieso over mensen die al een laag pensioen hebben. De maatregel is elitair, zegt de PVDA. De levensverwachting en zeker de levensverwachting in goede gezondheid is sterk afhankelijk van het beroep dat we uitoefenen en de sociale klasse waartoe we behoren. Mensen die vroeg zijn beginnen werken in een zwaar beroep leven 6 tot 9 jaar minder lang. Zij leven ook 10,5 tot 13 jaar minder lang in goede gezondheid. Zij moeten het recht om een beetje vroeger met pensioen te kunnen gaan behouden, aldus Kim De Witte. 

1. Het bonus-malussysteem in een notendop

De Arizona-regering wil opnieuw een bonus-malussysteem invoeren. Het systeem bestond in België tot 1991 maar werd afgeschaft, omdat het geen rekening hield met de zware beroepen en het feit dat mensen in zo’n beroep ook minder lang leven. Het werd om die reden als onrechtvaardig beschouwd en afgeschaft. De Arizona-regering wil het nu opnieuw invoeren.

Malus

Het malussysteem omvat een financiële boete voor de mensen die vóór de wettelijke pensioenleeftijd van 66 jaar – of 67 jaar vanaf 2030 – met pensioen gaan. De boete houdt een definitieve onteigening in van reeds opgebouwde en verworven pensioenrechten. De onteigening is gelijk aan vijf procent per jaar vervroegde pensionering. 

In het regeerakkoord was voorzien dat de boete gelijk is aan twee procent tot 2030, vier procent vanaf 2030 en vijf procent vanaf 2040, maar de regering wil die termijn inkorten en afhankelijk maken van het geboortejaar (zie verder).  

Onder bepaalde voorwaarden kan de malus ontweken worden. Er zijn drie cumulatieve voorwaarden om op vervroegd pensioen te gaan zonder malus. 

Tabel 1 – Drie loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen zonder pensioenmalus

Drie cumulatieve voorwaardenWelke gelijkgestelde periodes tellen mee?
Minstens 42 loopbaanjaren met 104 dagen per jaar en 156 dagen vanaf 2027(1)Alle gelijkgestelde periodes tellen mee
Minstens 35 gewerkte jaren met 156 effectief gewerkte dagen pér jaarEnkel moederschapsrust, zorgverloven, tijdelijke werkloosheid, ziekte en militaire dienst

Minstens 7.020 effectief gewerkte dagen 

(= 45 jaar halftijds)

Enkel moederschapsrust, zorgverloven, tijdelijke werkloosheid, ziekte en militaire dienst

(1) Of 44 loopbaanjaren voor wie op 60 jaar vertrekt of 43 loopbaanjaren voor wie op 61 of 62 jaar vertrekt.

Andere periodes waarin een werknemer tijdelijk niet kan werken, zoals werkloosheid, een periode van omscholing, verminderde arbeidsprestaties in het kader van een landingsbaan, etc. worden niet gelijkgesteld voor de laatste twee voorwaarden. In bijlage staat een overzicht van de gelijkgestelde periodes die niet meetellen.

Indien je niet aan de voorwaarden voldoet, krijg je per jaar dat je vroeger met pensioen gaat dus een malus. De tarieven zijn afhankelijk van je geboortedatum:

  • Geboortejaar tussen 1961 en 1965: 2% per jaar
  • Geboortejaar tussen 1966 en 1974: 4% per jaar
  • Geboortejaar 1975 of later: 5% per jaar

2. Minimumpensioenen toch geviseerd

In tegenstelling tot eerdere communicatie, zou de malus nu toch worden toepast op de minimumpensioenen. In het voorontwerp van de Pensioenwet wordt expliciet gesteld dat de malus “eveneens van toepassing [is] op (…) een gewaarborgd minimumrustpensioen.” (boek 1, hoofdstuk 2, artikel 8)

In de feiten betekent dit dat het minimumpensioen geen echt minimumpensioen meer is, aangezien er nog een bijkomende vermindering mogelijk is. Momenteel bedraagt het minimumpensioen voor een alleenstaande € 1.808,77 bruto per maand, op voorwaarde dat 45 loopbaanjaren kunnen worden voorgelegd. Wie slechts 42 jaar kan aantonen, ontvangt 42/45ste van dat bedrag, namelijk ongeveer € 1.688,19 bruto per maand.

Wie in 2030 op 63-jarige leeftijd met pensioen gaat na een loopbaan van 42 jaar en recht heeft op een minimumpensioen, zou door de toepassing van een malus nog slechts 1.350 euro overhouden (1.688,19 euro – 20 procent = 1.350 euro). Een bedrag dat ruim onder de armoedegrens ligt.

Het onderwerpen van minimumpensioenen aan een malus staat haaks op eerdere verklaringen van de regering. Zo schreef Vooruit over het begrotingsakkoord van 2025: “Er kon niet geraakt worden aan de vooruitgang die we geboekt hebben inzake het minimumpensioen. We hebben woord gehouden daarover.”[1] Ook minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke verklaarde in De Zevende Dag op 1 maart 2026 dat “zelfs in deze regering de regeling voor het minimumpensioen nog verbeterd is.”

De verhoging van het minimumpensioen, die er gekomen is onder de vorige regering na druk van de vakbonden en de PVDA, dreigt zo voor een groot deel ongedaan te worden gemaakt. Naast de blokkering van de welvaartsvastheid, door de afschaffing van de welvaartsenveloppe tot en met 2029, komt er nu ook nog eens de malus bovenop.

3. Ook na de gelijkstelling van ziekte: een op de vier werkenden getroffen

In het begrotingsakkoord dat eind 2025 werd gesloten, kwam de regering terug op verschillende punten van de pensioenhervorming. Een van de belangrijkste punten was het uitstel van de pensioenmalus naar 2027 en de gelijkstelling van ziekte voor de werkvoorwaarde ervan. De vraag bleef: welke invloed heeft de gelijkstelling van ziekte op de sociale impact van de malus? 

Zelfs wanneer ziekteperiodes meetellen, krijgt nog steeds 1 op de 4 mensen die niet tot 67 jaar werken een pensioenmalus. Bij vrouwen is dat nog erger: bijna 4 op 10 van de vrouwen die vóór 67 jaar stoppen met werken, zullen een malus krijgen. 

Tabel 3. Percentage van recent vroeggepensioneerden die een malus zouden krijgen


 
MannenVrouwen Totaal
Malus zonder gelijkstelling ziekte18,9%47,6%30%
Malus met gelijkstelling ziekte12,6%36,7%25%

Waarom worden vrouwen harder getroffen? Een belangrijke reden is dat vrouwen vaker deeltijds werken. Vier op tien vrouwen werken deeltijds en meer dan de helft doet dat onvrijwillig, omdat geen voltijdse banen beschikbaar zijn of omdat ze werk en huishoud- of zorgtaken niet kunnen combineren.[2] De Raad van State bevestigt in haar advies over de Pensioenwet dat de malus leidt tot een feitelijke benadeling van vrouwen. 

De regels om de malus te vermijden treffen mensen met een deeltijdse baan of een onderbroken loopbaan disproportioneel hard. Wie bijvoorbeeld 44 jaar werkt, komt maar aan 6.864 dagen, terwijl je 7.020 gewerkte dagen nodig hebt om de malus te vermijden.

4. Wie weinig heeft, krijgt nog minder

Uit andere, recente cijfers die we ontvingen van het kabinet-Jambon blijkt dat een werknemer die een malus ontvangt een gemiddeld pensioen van 1.755 euro heeft. Dat is gemiddeld 560 euro minder dan degenen die een bonus ontvang, nog vóór de bonus of malus wordt toegepast.

De regering wil met de bonus-malus de link tussen werken en pensioen versterken. Maar die link bestaat al: heel ons pensioenstelsel valoriseert arbeid. We hebben geen volksverzekering zoals Nederland, Denemarken, Noorwegen of Zweden. Pensioen is gekoppeld aan arbeid. En bepaalde periodes van onvrijwillige arbeidsongeschiktheid zijn gelijkgesteld. Als daar misbruiken rond zouden zijn, moeten die worden aangepakt. Niet heel het systeem zelf. De malus is nu vooral een grote besparingsmaatregel: mensen krijgen minder pensioen of moeten langer werken, tot 67 jaar.

Tabel 4 – Gemiddeld bruto rustpensioen van groep werknemers die een malus of bonus krijgt

Werknemers Krijgt een malusKrijgt een bonus
Gemiddeld bedrag rustpensioen (bruto)1.755,0 EUR2.311,90 EUR

In 2030 moet het bonus-malussysteem de begroting 473 miljoen euro opleveren. Dat maakt het meteen de zwaarste pensioenmaatregel op korte termijn. Binnen vijfentwintig jaar zou de bonus-malus een besparing vormen van minstens 0,2% van het bbp per jaar. In hedendaagse termen spreken we dan over een besparing van 1,3 miljard euro per jaar.

5. Het hele systeem blijft ingrijpend, onrechtvaardig & elitair

Het bonus-malussysteem is ingrijpend, onrechtvaardig en elitair. Het ingrijpend karakter van het systeem werd hierboven grondig besproken. Je kan 25 procent van je pensioen verliezen of 25 procent extra krijgen. Een op de vier werkenden die niet tot 67 kunnen werken, worden door de malus getroffen. 

De Belgische pensioenen worden niet onbetaalbaar. Onze pensioenuitgaven zijn vandaag een pak lager dan in Finland, Frankrijk, Oostenrijk, Italië, Spanje, Griekenland. Ook in de toekomst zullen zij nog altijd lager blijven in percentage van het bbp dan Oostenrijk, Frankrijk, Italië en Griekenland vandaag. Hoe kan dat dan onbetaalbaar zijn?

Is er dan geen enkel probleem met de financiering van de pensioenen in ons land? Toch wel, maar dat is niet zozeer een probleem van stijgende uitgaven, wel van dalende inkomsten. De financiering via sociale bijdragen staat onder druk door de dalende werkgeversbijdragen, subsidies, fiscale vrijstellingen. Deze verminderingen kosten de sociale zekerheid miljarden euro’s per jaar, meer dan de verwachte stijging van de pensioenuitgaven. Met een eerlijkere verdeling van de welvaart kunnen de pensioenen dan ook perfect betaalbaar blijven.

We zijn niet gelijk voor de dood. Het verschil in levensverwachting tussen kortgeschoolden en hooggeschoolden verschilt tussen de 6 (mannen) en de 9 jaar (vrouwen).[3] Wie meer kans heeft op een bonus, zal daar in de regel ook veel langer van genieten. Als we kijken naar de gezonde levensverwachting, dan zijn de verschillen nog veel groter. Een kortgeschoolde leeft 10,5 tot 13 jaar minder lang in goede gezondheid dan een hooggeschoolde.[4] 

We zijn ook niet gelijk in het leven. Een diploma aan een hogeschool levert je gemiddeld 15 tot 20 procent meer loon op dan iemand die na het middelbaar onderwijs gaat werken, een universitair diploma zelfs 25 procent.[5] Omdat het pensioen berekend wordt op je loon, weerspiegelt deze loonkloof zich ook in de hoogte van het pensioen. 

Het verschil tussen kort- en langgeschoolden weerspiegelt zich ook in het aantal ziektedagen. Wie vroeg start met werken, is ook vaker ernstig ziek. In 2023 waren 63% van de langdurig zieke werknemers arbeiders, terwijl er in ons land meer bedienden dan arbeiders zijn.[6] Dat is niet verrassend, omdat twee op drie aandoeningen werkgerelateerd zijn en arbeiders méér zware arbeid verrichten.[7] Hoewel dagen van arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld worden voor de voorwaarden om de malus te ontlopen, zal ziekte nog steeds een rol spelen. Periodes van ziekte hebben namelijk een impact op de rest van de loopbaan. Denk maar aan de arbeider die ontslagen wordt via medische overmacht omdat er geen aangepast werk is. Hij of zij is officieel niet meer ziek, maar wel werkloos, een periode die niet gelijkgesteld is voor de malus. Daarnaast geeft 1 op 10 mensen ‘arbeidsongeschiktheid’ op als hoofdreden om deeltijds te werken. Zoals hierboven beschreven treft de malus vooral deeltijds werkenden.

“Dan moeten ze maar een jaartje langer werken”, zegt Jan Jambon. Maar hoe kan een poetsvrouw die nog halftijds werkt aan het einde van haar loopbaan plots aan minstens 156 effectief gewerkte dagen per jaar geraken? Dat lukt vaak niet. “Dan moeten ze maar in de ziekteverzekering blijven”, zegt Jambon. Dus: mensen die wel nog in staat zijn om bijvoorbeeld 120 of 140 effectief gewerkte dagen per jaar te presteren, gaan we nu volledig in de ziekteverzekering steken? Dat is geen winst voor de samenleving.

Een ander belangrijk aspect is deeltijds werk. Wie deeltijds werkt, bouwt geen volledig pensioen op, omdat het pensioen wordt berekend op basis van het jaarloon. Een lager jaarloon door deeltijds werk leidt dus automatisch tot een lager pensioen. Bovendien verhoogt deeltijds werken het risico op een malus, waardoor het, sowieso al lagere, pensioen nog verder zal dalen.

Enkele concrete voorbeelden: 

  • Rafaël is beginnen werken op 18 jaar, hij moet een loopbaan hebben van 49 jaar vooraleer hij een bonus kan beginnen opbouwen. Jan Jambon is beginnen werken op 24 jaar. Hij moet 42 jaar werken vooraleer hij een bonus kan opbouwen (vanaf zijn 66ste). Rafaël moet dus 7 jaar langer bijdragen alvorens hij een bonus kan opbouwen. Bovendien leeft hij minder lang. Wat is daar eerlijk aan?
  • Rafaël zou pas na 43 jaar werken met vervroegd pensioen kunnen gaan (op zijn 61ste), maar riskeert dan wel een malus. Jan Jambon riskeert na 42 jaar werken geen enkele malus (want dan is hij 66 jaar), ook al zou hij véél meer gelijkgestelde periodes hebben dan Rafaël. Na 43 jaar werken krijgt Jambon zelfs een bonus. Rafaël, die zijn hele loopbaan in de bouw, de zorg of de schoonmaak gewerkt heeft, zal sowieso al een veel lager pensioen hebben dan Jan Jambon, die consultant, manager, parlementair en minister geweest is. Het bonus-malussysteem zal het verschil in pensioen nog véél groter maken.
  • Ilse werkt 42 jaar halftijds als poetshulp. Ze kan op vervroegd pensioen op 63 jaar. Haar pensioen ligt niet hoog omdat het op een halftijds loon wordt berekend. Ilse zou daarbovenop een malus krijgen van 20%.
  • Een arbeider werkt 32 jaar voltijds. Hij ondergaat een zware rugoperatie met een lange operatie, dat duurt 2 jaar. Zijn werkgever heeft geen aangepast werk en beëindigd zijn contract wegens medische overmacht. De arbeider is nog 8 jaar werkloos. Hier en daar kan hij wel een interim uitvoeren maar steeds voor korte tijd. Niemand wil een oude, minder gezonde werknemers vast in dienst. De arbeider kan op 62 jaar op pensioen en zou een malus krijgen van 25%. 


6. Bijlage: periodes die niet gelijkgesteld zijn voor de malus

Periodes die niet gelijkgesteld zijn en dus een malus kunnen opleveren


 

 

  • Periodes van onvrijwillige werkloosheid.

 

  • Periodes van conventioneel brugpensioen, halftijds brugpensioen en werkloosheid met bedrijfstoeslag.

 

  • Periodes van behoud van rechten bij deeltijds werk (inkomensgarantie-uitkering).

 

  • Niet-gewerkte dagen in een landingsbaan.

 

  • Periodes van gewone loopbaanonderbreking vanaf 1 januari 1996.

 

  • Periodes in een kalenderjaar, vanaf 1 juli 1997, waarin de werknemer geen activiteit heeft uitgeoefend omdat hij in het kader van maatregelen tot herverdeling van de arbeid zijn arbeidsprestaties heeft beperkt.

 

  • Periodes in een kalenderjaar waarin de werknemer geen activiteit heeft uitgeoefend omdat hij zijn prestaties heeft verminderd in het kader van de tijdelijke crisisaanpassing van de arbeidsduur.

 

  • Periodes van inactiviteit waarvoor aan de werknemer, in toepassing van de wetten betreffende de gebrekkigen en verminkten (gecoördineerd op 3 februari 1961) of van de wet van 13 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan minder-validen, een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 65% werd toegekend.

 

  • Periodes van inactiviteit waarvoor, in toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, werd vastgesteld dat het verdienvermogen van de werknemer verminderd is tot één derde of minder van wat een valide persoon op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.

 

  • Periodes van inactiviteit waarvoor de betrokkene het voordeel van een statuut van nationale erkentelijkheid heeft verkregen.

 

  • Periodes van inactiviteit die voortvloeien uit een aandoening als gevolg van een oorlogsfeit waarvoor de betrokkene het voordeel van een statuut van nationale erkentelijkheid heeft verkregen, voor zover een invaliditeit werd erkend door de Gerechtelijke-Geneeskundige Dienst van:
  • minstens 40% indien de inactiviteitsperioden begonnen vóór 1 januari 1964,
  • minstens 66% in de andere gevallen.

 

  • Periodes van staking en lock-out.

 

  • Periodes van uitoefening van een functie van rechter in sociale zaken of van een ambt in commissies opgericht met het oog op de toepassing van de sociale wetgeving.

 

  • Periodes van voorlopige hechtenis ingevolge een feit waarvoor de betrokkene niet werd veroordeeld.

 

  • Periodes van verblijf in een inrichting voor geesteszieken, van sekwestratie ten huize of van internering in een inrichting voor maatschappelijk verweer.

 

  • Periodes van syndicale opdracht.