Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de aanpak van het coronavirus

.

Zuurstof tekort in rusthuizen. Geen strategische stock mondmaskers. Ministers die liegen en bedriegen. De PVDA eist een échte onderzoekscommissie, zowel in het Vlaams parlement als de Kamer. Lees hier ons voorstel voor het federale parlement.


BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de aanpak van het coronavirus

15 juni 2020

(ingediend door mevrouw Sofie Merckx en de heren Gaby Colebunders, Raoul Hedebouw en Peter Mertens)

TOELICHTING

Dames en Heren,

Met de uitbraak van SARS-CoV-2 (COVID-19) beleven we de grootste sanitaire crisis sinds decennia met bijzonder drastische gevolgen. De pandemie zorgde reeds voor honderdduizenden doden over de hele wereld, waaronder meer dan 9.600 in België. Experts waarschuwen voor het uitbreken van een tweede en zelfs derde golf. Om ons land hier optimaal op voor te bereiden moeten we dringend de nodige lessen trekken uit de aanpak van deze crisis.

“Deze crisis toont aan dat er verschillende structurele tekortkomingen zijn”, schrijft de GEES, de Groep van Experten belast met de Exit-Strategie, in haar laatste rapport aan de Nationale Veiligheidsraad. Ons land schoot inderdaad duidelijk tekort en dat op verschillende niveaus.

Om een dergelijke epidemie als Covid-19 efficiënt en doeltreffend te kunnen aanpakken en bestrijden is grondige anticipatie absoluut noodzakelijk. Het is duidelijk dat ons land onvoldoende voorbereid was. Getuige de vernietiging van de strategische reserve van 32 miljoen mondmaskers en de beslissing, door opeenvolgende regeringen, om die reserve niet te vernieuwen. Uit besparingsoverwegingen.

Ook daarna lieten de regeringen verschillende steken vallen. Soms met dramatische gevolgen. Toen het virus in China uitbrak en duidelijk werd dat het ook in Europa dodelijke slachtoffers zou maken, riepen nationale en internationale experts de regering op om een versnelling hoger te schakelen en structurele maatregelen te treffen. Drie weken voor de Wereldgezondheidsorganisatie op 11 maart de situatie officieel zou uitroepen tot een pandemie, waarschuwden virologen al dat er in ons land te weinig voorbereidingen werden getroffen om de strijd tegen het coronavirus aan te vatten. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie en het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift The Lancet waarschuwen dat de overheden onvoldoende doortastend optreden.

Het gebrek aan grondige voorbereiding en anticipatie vertaalde zich in belangrijke tekortkomingen in de aanpak van de crisis, eens het virus zich in ons land verspreidde. Getuige de schijnbaar oneindige saga van de mondmaskers en de testing-strategie en het contactonderzoek die met bijzonder veel moeite van start gingen. Niet te vergeten de 9 ministers van Volksgezondheid die elkaar voortdurend voor de voeten liepen.

Ons land moet dringend de nodige lessen trekken uit dat gebrek aan anticipatie en tekortkomingen in de aanpak van de crisis. De urgentie is groot, want met een mogelijke tweede of derde golf voor de deur kunnen we ons niet opnieuw dezelfde fouten veroorloven. In haar laatste rapport stelt de GEES daarover echter dat de Belgische regeringen onvoldoende actie ondernemen. “Een actieplan is nodig”, dringt de GEES aan, “om maatregelen te nemen in het geval van een tweede golf”. Het is van levensbelang dat er in dat plan rekening wordt gehouden met en tegemoet gekomen wordt aan de tekortkomingen tijdens de eerste golf van de coronapandemie.

De uitzonderlijke omvang, ernst en de bijzonder grote urgentie rechtvaardigen de dringende oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. Om lessen te trekken uit deze crisis, om ons optimaal voor te bereiden voor eventuele nieuwe infectiegolven, en om daarbij tegemoet te komen aan de adviezen van de expertengroepen, is het noodzakelijk om de beslissingen van de regeringen met betrekking tot de aanpak van de COVID-19-epidemie in ons land grondig te evalueren en te werken aan een nieuw plan van aanpak.

1. Het beschermingsmateriaal
Vanaf het begin van de epidemie was er in ons land een nijpend tekort aan beschermingsmateriaal zoals mondmaskers, schorten, handschoenen, spatmaskers, brillen, handgels, enzovoort. De mondmaskers vormen daarbij bij uitstek het symbool van het falende regeringsbeleid.

Al op 28 januari worden er in de Commissie Gezondheid van de Kamer vragen gesteld over de strategische voorraad mondmaskers waarover ons land zou moeten beschikken. In het kader van het Belgisch operationeel plan voor een grieppandemie ten tijde van de Influenza-pandemie in 2009 legde ons land inderdaad een reserve van 32 miljoen mondmaskers aan. PVDA-volksvertegenwoordigster Sofie Merckx ondervroeg de minister van Volksgezondheid, Maggie De Block, daarover: “Bij een eventuele epidemie moeten wij ervoor zorgen dat er zo weinig mogelijk transmissie van mens tot mens is en daarom is het belangrijk een maskervoorraad te hebben. Hebben wij die strategische stock vandaag wel in België? Zijn wij daarop voorbereid?1. Minister van Volksgezondheid Maggie De Block moest het antwoord schuldig blijven, maar later wordt duidelijk dat de strategische voorraad vernietigd werd. Uit budgettaire overwegingen werd de strategische reserve later ook niet vernieuwd. Nochtans klonk het in het ethisch advies van het Raadgevend Comité voor Bio-Ethiek dat het “ethisch onaanvaardbaar zou zijn om op de uitgaven te besparen voor voldoende chirurgische maskers en ademhalingsmaskers om een contaminatie te vermijden2.

Het gevolg is dat het zorgpersoneel zonder voldoende bescherming naar het front werd gestuurd. Elke dag opnieuw. Uit een enquête van de Belgische Federatie van Zorgkundigen (Befezo) bleek dat 94% van het zorgpersoneel bang naar het werk vertrekt. Het zorgpersoneel moest onvoldoende beschermd of met zelfgemaakt beschermingsmateriaal in de vuurlinie vechten tegen het virus, met een enorme druk op hun schouders. Door politieke nalatigheid werd er verzaakt, ondanks reeds langer bekende aanbevelingen en waarschuwingen van experten en virologen, om preventief te investeren in het broodnodige beschermingsmateriaal.

Als gevolg moest ons land dan ook in allerijl op zoek naar mondmaskers. De Risk Assessment Group benadrukte al op 21 februari het algemene belang van mondmaskers. Datzelfde advies kwam ook van de Hoge Gezondheidsraad op 17 maart. Maar wat volgde was een parcours vol moeilijkheden en blunders. Mislukte bestellingen, speculanten die op de loer liggen om profijt te maken van de crisis, slechte kwaliteit van de geleverde maskers, de verkoop door de distributiesector, de belofte van stoffen mondmaskers met filters die maar niet ingelost raakt, enzovoort. Minister Geens, één van de zes bevoegde ministers voor mondmaskers, riep op tot “volksvlijt”, in afwachting “tot de markt zich organiseert”3. Al heel snel werd duidelijk dat deze regering zich passief opstelde, blind vertrouwend op de vrije markt die niet in staat bleek tegemoet te komen aan de meest dringende behoeftes.

We moeten de nodige lessen trekken uit die schijnbaar eindeloze mondmaskersaga van de voorbije weken en maanden. De experten én de mensen op het terrein zijn het er namelijk over eens: we kunnen de tweede golf of een volgende pandemie niet te lijf zonder een strategische reserve van mondmaskers.

2. Testen en testcapaciteit
Testen, testen, testen. “Test iedereen die mogelijk besmet is met het coronavirus”, zo luidt het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie. “Je kan een virus pas bestrijden als je weet waar het zit”, klinkt het. Het uitrollen van de noodzakelijke teststrategie in ons land bleek echter een parcours vol hindernissen en moeilijkheden.

Zo botste men al snel op een tekort aan reagentia en testmateriaal die nodig waren voor het uitvoeren van de diagnostische PCR-tests. Het voorstel van viroloog Marc Van Ranst eind februari om bij het uitbreken van de epidemie direct in te zetten op mobiele teams om stalen af te nemen, werd afgeschoten uit budgettaire overwegingen4. Wanneer na de krokusvakantie er bovendien een groot aantal mensen terugkwamen uit een risicogebied in Italië, werden zij helemaal niet getest of opgevolgd.

Maar ook daarna, wanneer het virus helemaal uitbrak, bleven de regeringen op dit vlak achter de feiten aanlopen en tekortschieten op het vlak van de test-strategie. Zo bleef er bijzonder veel kritiek komen op de testrichtlijnen en de zogenaamde gevalsdefinitie (die bepaalt onder welke voorwaarden een persoon al dan niet getest mag worden) die een brede test-strategie niet toestonden. De gevalsdefinitie was te strikt, waardoor huisartsen potentiële patiënten niet konden testen. Die nieuwe gevalsdefinitie was ingegeven door… het tekort aan reagentia en beschermingsmateriaal. Marc Van Ranst zegt daarover dat: "Ik denk dat het eng houden van de gevalsdefinitie bepalend is geweest voor een heleboel dingen die beter hadden kunnen gaan in deze epidemie, zeker in de begindagen"5.

Minister De Backer kondigde op 4 april aan dat de Belgische testcapaciteit opgedreven werd tot 10.000 tests per dag. Nochtans duurde het nog 3 weken vooraleer er effectief dagelijks meer dan 10.000 testen werden uitgevoerd. Tegelijk kwamen er verschillende berichten binnen van ziekenhuizen, labo’s en het Rode Kruis dat ze maar een fractie van hun beschikbare testcapaciteit gebruikten.

Daar waar er in het begin van de crisis een acuut tekort aan testcapaciteit was, bleek in een volgende fase dat de opgedreven testcapaciteit structureel onderbenut werd. Begin mei drong professor Emmanuel André bijvoorbeeld al sterk aan om de testrichtlijnen en gevalsdefinitie verder te verruimen, zodat ook de contactpersonen (met hoog risico) van besmette patiënten, zoals naaste collega’s op het werk, getest kunnen worden. Tot op de dag van vandaag is het echter niet mogelijk om potentiële asymptomatische patiënten te testen.

In het licht van een mogelijke tweede golf is het absoluut noodzakelijk om het beslissingsproces te analyseren rond het opstellen van de gevalsdefinitie, het verbreden van de testrichtlijnen, de tekorten aan reagentia en beschermingsmateriaal, het inzetten van de testcapaciteit enz. Enkel door de bevolking zeer breed te testen, kunnen we een heropflakkering en een tweede golf tijdig detecteren en vermijden.

3. De ziekenhuizen en de woonzorgcentra
Heel wat ziekenhuizen namen zelf vrij snel het initiatief om de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, nog voor de overheid met orders kwam. In een mum van tijd waren ze omgeschakeld naar coronazorg met speciale afdelingen, extra intensieve bedden en gescheiden patiëntenstromen voor wie andere dringende zorg nodig had. Dat levensreddende werk levert de ziekenhuizen echter geen inkomsten op. Integendeel, het laat hen achter met een zware financiële kater, waarbij er sprake is van 5 tot 7 miljard euro verlies. Een groot deel van de zorg en niet-dringende ingrepen zoals ambulante raadplegingen en medisch-technische onderzoeken werden immers uitgesteld, om de nodige ruimte te maken voor de opvang van dringende corona-patiënten. Een deel van het ziekenhuispersoneel werd daarbij trouwens opgenomen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Tot op de dag van vandaag is er geen zekerheid over de dekking van de kosten die de ziekenhuizen gemaakt hebben, ondanks de ongelooflijke krachttoer die het personeel aan de dag heeft gelegd.

Het grootste drama speelde zich af in de woonzorgcentra. Toen men op een bepaald moment besliste om de meest ernstig zieke bewoners van de woonzorgcentra niet langer door te sturen naar de ziekenhuizen, onderschatte men volledig dat de woonzorgcentra hiermee de facto zelf in ziekenhuizen veranderden, zonder hiervoor de nodige ondersteuning te kunnen bieden. De noodkreet van de woonzorgcentra om ondersteuning te krijgen vanuit de ziekenhuizen botste hierbij op de muur van de bevoegdheidsverdelingen tussen de gemeenschappen en de federale overheid. De samenwerking en coördinatie tussen de ziekenhuizen en de woonzorgcentra verliep stroef, omdat er geen duidelijkheid was welke regering nu precies wat moest organiseren. Pedro Facon, directeur-generaal van de FOD Volksgezondheid, stelt dat er kansen gemist zijn om samen te werken6. De woonzorgcentra kampten met tekorten aan zuurstofflessen, de ziekenhuizen met tekorten aan geneesmiddelen. Verschillende ziekenhuizen hadden amper medicatie om de geïntubeerde patiënten in coma te houden, hoewel de bevoegde ministers verklaarden dat er geen problemen met de voorraad waren.

Momenteel bevinden we ons in de staart van de epidemie. Ook in deze fase moeten de ziekenhuizen waakzaam blijven. De noodplannen blijven in de hoogste fase van alertheid. Het is hierbij niet zozeer de logistieke capaciteit van de ziekenhuizen die zorgen baart, maar wel de mentale en fysieke weerbaarheid van het zorgpersoneel. Daar vreest ook de GEES voor: “de eerste Covid-19-golf in ons land heeft enorm veel gevraagd van ons gezondheidszorgsysteem, dat sinds begin mei weer gestart is met normale activiteiten. Maar de gezondheidswerkers, op alle niveau’s, zijn uitgeput”. Het is dan ook absoluut onontbeerlijk dat we op structureel niveau investeren in ons gezondheidszorgsysteem, met als belangrijke pijler de verbetering van de arbeid- en loonvoorwaarden van het zorgpersoneel.

4. Contactonderzoek
Al maanden weten we dat contactonderzoek een essentieel element is in de strijd tegen het coronavirus. Contactonderzoek is een essentieel onderdeel van de exitstrategie. Die boodschap van de experten klonk unisono. Nochtans verliep/verloopt het contactonderzoek zeer moeilijk en duurde het zeer lang voor dat het contactonderzoek operationeel was. Op 2 maart ontving de federale regering van het Europees Centrum voor Ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) reeds gedetailleerde richtlijnen en een uitwerking van scenario’s om contactonderzoek op poten te zetten voor het testen en isoleren van besmette personen. De regering deed echter niets concreet met dat rapport.

Op 16 maart trok de Wereldgezondheidsorganisatie aan de alarmbel omdat landen te veel op één been lopen in de strijd tegen het coronavirus en enkel inzetten op sociale afstandsmaatregelen. In ons land werd er hard ingezet op die social distancing, terwijl het contactonderzoek nauwelijks op gang kwam. Volgens minister De Backer vond er pas op 28 maart een eerste vergadering plaats met de gewesten rond contactonderzoek. Pas op 21 april, meer dan 3 weken na de eerste ontmoeting, krijgen de regionale ministers de opdracht om op zoek te gaan naar personeel voor contactonderzoek.

Een belangrijke oorzaak ligt ongetwijfeld bij de versnippering van de verschillende bevoegdheden. In verslagen van het interministerieel overleg lezen we hoe Vlaams minister van Welzijn Wouter Beker naar eigen zeggen “van zijn stoel viel” toen hij erachter kwam dat contactonderzoek een bevoegdheid was van de regio’s7. Uiteindelijk duurt het tot 4 of 11 mei (afhankelijk van de regio) voor het contactonderzoek operationeel is. Dat betekent dat het meer dan 8 weken geduurd heeft sinds de start van de lockdown voor het contactonderzoek van start kon gaan.

Daardoor ging kostbare tijd verloren en kon het virus zich ongestoord verder verspreiden. Prof. Emmanuel André windt er geen doekjes om: “We zijn veel te laat gestart met testen en opsporen”. Er zijn nog andere systeemfouten in het contactonderzoek8. Een van de onderliggende oorzaken is het gebrek aan investeringen in preventieve gezondheidszorg. In vergelijking met onze buurlanden investeert ons land zeer weinig in gezondheidspreventie. Ook vandaag de dag loopt het contactonderzoek mank en is het draagvlak bij de bevolking beperkt.

5. De exit-strategie
In het debat en de beslissingen over de versoepelingen van de lockdown-maatregelen ging het al snel over de noodzaak om zo snel mogelijk de economie opnieuw op te starten. Uiteindelijk konden we sneller onze collega’s en baas terugzien, dan onze familie en vrienden. De veiligheid en de gezondheid van de werknemers werden in dat proces duidelijk niet als eerste uitgangspunt genomen.

Vanaf het begin van de lockdown was er een zeer grote druk van de werkgevers om te blijven doorwerken. Tussen 18 en 23 maart werd het aantal zogenaamde ‘essentiële sectoren’ behoorlijk uitgebreid. Uiteindelijk bevinden maar liefst twee van de drie miljoen werknemers in de particuliere sector zich in essentiële sectoren. Twee miljoen werknemers die dus moesten blijven doorwerken tijdens de lockdown en voor wie de maatregelen onder andere op het vlak van social distancing niet noodzakelijk gerespecteerd moesten worden.

Begin mei startte daarna ook een groot aantal bedrijven uit de niet-essentiële sectoren hun activiteiten weer op, en ook voor hen werd de 1,5 meter-regel afgeschaft. Voor de werkgevers bleken het slechts suggesties. Geert Bruyneel, de CEO van Volvo Gent, stelt onomwonden: “of de fabriek coronaproof is? Op volle snelheid kunnen we niet alle maatregelen naleven. We moeten keuzes durven maken”9. Controles uitgevoerd door de sociale inspectiediensten tussen 23 maart en 3 april toonden aan dat 85% van de gecontroleerde ondernemingen de sociale afstandsmaatregelen niet naleefde10.

Volgens de experten kon de geleidelijke versoepeling van de lockdown bovendien alleen overwogen worden onder een aantal strikte voorwaarden omtrent het aantal ziekenhuisopnames, het aantal testen per dag, het contactonderzoek en het nodige beschermingsmateriaal en de veiligheidsmaatregelen. Het advies luidde ook dat de versoepelingen gefaseerd dienden te gebeuren, om de effecten op de epidemie te kunnen evalueren. Al snel werd duidelijk dat er niet aan die voorwaarden voldaan was. De Nationale Veiligheidsraad heeft verzaakt de uitdagingen van die voorwaarden ter harte te nemen, tegen de adviezen van de experten in. Emmanuel André, een van de GEES-experten, nam daarna ontslag als woordvoerder.

6. Overleg tussen de bevoegde beleidsniveaus en met het terrein

6.1 Overleg tussen de bevoegde beleidsniveaus
De aanpak van de coronacrisis legt op een pijnlijke manier de complexiteit van de Belgische institutionele structuur bloot. Waar we ons voor de strijd tegen een virus dat wereldwijd de kop opsteekt zouden mogen verwachten aan een snelle en gecentraliseerde aanpak, lopen in ons land maar liefst 9 ministers van gezondheid elkaar voor de voeten. En dan moesten de 6 ministers van mondmaskers nog aangesteld worden. Kostbare tijd ging verloren aan eindeloze discussies over de bevoegdheidsverdelingen.

6 opeenvolgende staatshervormingen zorgden voor een onbegrijpelijke versnippering van de bevoegdheden en vragen nu een vermenigvuldiging van het aantal overlegstructuren- en uren om het beleid op elkaar af te stemmen.

De versnippering van de bevoegdheden zorgt vaker dan lief voor verlammende situaties. De financiering van de ziekenhuizen is de bevoegdheid van de federale regering, terwijl de noodplannen van de ziekenhuizen verspreid liggen over de verschillende beleidsniveaus. Thuisverplegers vallen onder de federale bevoegdheid, maar als zij in de regionale woonzorgcentra willen bijspringen, stelt zich de vraag wie de factuur zal betalen. Wanneer de thuisverpleegkundigen bij de Vlaamse regering aankloppen omdat ze dringend nood hebben aan mondmaskers en ander beschermend materiaal, duurt het 24 uur voor men daar uitgedokterd heeft dat zij enkel door het federale niveau van maskers voorzien mogen worden. Psychiatrische ziekenhuizen zijn een federale bevoegdheid, de psychiatrische verzorgingstehuizen vallen dan weer onder de Vlaamse Gemeenschap. Een aantal van die instellingen zijn in dezelfde gebouwen ondergebracht, wat maakt dat je in functie van het verdiep of de vleugel van het ziekenhuis, een verschillende teststrategie en bezoekersregeling hebt. En als je voor een triagecentrum een container wilt kópen, zijn de regio’s bevoegd. Als je een container húúrt, is dat een federale zaak.

De institutionele spaghetti waar iedereen bevoegd lijkt, maar niemand eindverantwoordelijk is, en waarin er geen hiërarchie van de normen bestaat, staat een doortastend en efficiënt beleid duidelijk in de weg. Het is dan ook noodzakelijk om alle knelpunten en bottlenecks op het vlak van de bevoegdheidsverdeling te analyseren en de impact hiervan te evalueren op de aanpak van een sanitaire crisis.

6.2 Overleg met het terrein
Heel wat van de beslissingen die de laatste maanden genomen werden in het kader van de coronacrisis, werden niet overlegd met de actoren van het terrein. Ondanks de sterke expertise en de knowhow van de mensen op het terrein, van de zorgverleners en de werknemersorganisaties, werden zij op geen enkele manier betrokken bij de uitstippeling van het beleid. Het meest frappante voorbeeld waren de twee volmachtbesluiten tot opvordering van het zorgpersoneel en tot het delegeren van verpleegkundige handelingen naar niet-verpleegkundigen. In plaats van te overleggen met de sector en met de werknemers over hoe men een tweede golf zou kunnen voorbereiden, drong men zo twee maatregelen op die terecht tot veel verzet leidden bij het zorgpersoneel en uiteindelijk tot hun intrekking. Het zorgpersoneel, dat al op haar tandvlees zat voor de crisis, vraagt al langer om overleg te organiseren met de sector: over het (tekort aan) beschermingsmateriaal, over het personeelstekort en een betere coördinatie.





Artikel 1

Er wordt een parlementaire onderzoekscommissie ingesteld met als opdracht het uitvoeren van een diepgaande evaluatie van de aanpak van de Covid-19-epidemie door de federale regering en de regeringen van de gefedereerde entiteiten. Deze evaluatie heeft betrekking zowel op de voorbereiding van ons land op de uitbraak van deze epidemie, als op de beleidsaanpak tijdens de epidemie zelf. Het doel van dit onderzoek ligt in het formuleren van concrete voorstellen voor een efficiëntere en meer doeltreffende aanpak bij een nieuwe golf van het coronavirus of een nieuwe epidemie. Die voorstellen situeren zich in het bijzonder op het vlak van het crisisbeheer en de crisiscommunicatie, het beschermingsmateriaal, de testingstrategie, het contactonderzoek, het beheer binnen de zorgsector, en op de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten.

§ 1. De taken van de onderzoekscommissie bestaan erin:

  1. Een tijdlijn te construeren vanaf de bekendmaking van de uitbraak van het Sars-Cov-2-virus, van alle overlegmomenten, adviezen, rapporten en regeringsbeslissingen in het kader van de anticipatie op en het beheer van de coronacrisis en de uitwerking en ontplooiing van de exitstrategie.

  2. Een grondige analyse uit te voeren van;

    1. de mortaliteitscijfers in ons land, en dat in een internationale vergelijking;

    2. de voorbereiding van de federale overheid en de gefedereerde entiteiten op een sanitaire crisis, in het algemeen, en de getroffen maatregelen vanaf het moment dat zij officieel op de hoogte werden gebracht van de uitbraak van SARS-CoV-2, in het bijzonder;

    3. het beheer van het beschermingsmateriaal voor het zorgpersoneel en voor de gehele bevolking, en dit in het bijzonder voor wat betreft de maatregelen genomen op het vlak van;

      1. de strategische reserve van 38 miljoen mondmaskers die in 2006 aangelegd werd, de vernietiging daarvan en de niet-hernieuwing;

      2. de bestellingen, leveringen en verdeling van het beschermingsmateriaal, met bijzondere aandacht voor de kwaliteit, de conformiteit en de prijs van het beschermingsmateriaal;

      3. de inschakeling van de Belgische industrie en bedrijven voor de productie van beschermingsmateriaal;

      4. de rol die allerhande speculanten en traders gespeeld hebben in de handel van beschermingsmateriaal;

      5. de invloed van het gebrek aan mondmaskers op de richtlijnen die geformuleerd werden rond het gebruik van deze mondmaskers;

      6. de beschikbaarheid van stocks van mondmaskers bij de grootwarenhuizen;

    4. de test-strategie voor covid-19, en dit in het bijzonder voor wat betreft de maatregelen genomen op het vlak van;

      1. de beschikbaarheid van reagentia en het nodige testmateriaal;

      2. de beschikbaarheid, uitbreiding en (onder)benutting van de testcapaciteit;

      3. de richtlijnen en de gevalsdefinitie voor testing die stelselmatig aangepast werden, met bijzondere aandacht voor de rol die budgettaire overwegingen en het gebrek aan reagentia en testmateriaal speelden in de bepaling hiervan;

      4. de betrokkenheid en inschakeling van de klinische laboratoria;

      5. de afspraken met de farmaceutische industrie omtrent het testen en de testcapaciteit, met bijzondere aandacht voor de financiële aspecten van dit akkoord en het gebrek aan transparantie hierrond;

    5. de voorbereiding en ondersteuning van de ziekenhuizen en het personeel van de ziekenhuizen, met bijzondere aandacht voor de maatregelen die genomen werden;

      1. op het vlak van de logistieke en financiële ondersteuning van de ziekenhuizen;

      2. met betrekking tot de ondersteuning van de ziekenhuizen bij het uitstellen van niet-dringende ingrepen en andere zorg, en het vrijmaken van ruimte voor de opvang van dringende coronapatiënten;

      3. omtrent de tekorten van farmaceutische specialiteiten en andere producten;

      4. met betrekking tot de heropstart van niet-dringende zorg;

      5. op het vlak van de logistieke en financiële ondersteuning van de triagecentra en de schakelzorgcentra;

    6. de aanpak van de crisis in de verschillende zorginstellingen, met bijzondere aandacht voor de aanpak binnen de woonzorgcentra

    7. het opzetten en uitvoering van het contactonderzoek, met bijzondere aandacht voor;

      1. de impact van het contactonderzoek op de verspreiding van het coronavirus;

      2. de onder- en desinvesteringen in de mobiele teams voor infectiebestrijding;

      3. de tijdspanne tussen de verschillende adviezen, de verschillende beslissingen en de daaruit voortvloeiende zichtbare resultaten;

      4. de problemen en moeilijkheden waarmee het systeem van contactonderzoek nog steeds kampt;

      5. de uitbesteding van het contactonderzoek aan commerciële callcenters, de werkwijze van de commerciële callcenters en de invloed daarvan op de efficiëntie in de aanpak van de crisis;

    8. de keuzes die gemaakt werden inzake de exit-strategie;

    9. de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten en de impact hiervan op de aanpak van de sanitaire crisis, met bijzondere aandacht voor;

      1. de snelheid, efficiëntie en doeltreffendheid van de aanpak van de pandemie in ons land;

      2. de gevolgen daarvan op de samenwerking, coördinatie en onderlinge ondersteuning tussen instellingen en structuren die afhangen van verschillende beleidsniveau’s.

 

§ 2. Bij het uitvoeren van die taken besteedt de onderzoekscommissie bijzondere aandacht aan;

  1. de invloed van de huidige organisatie en financiering van het gezondheidszorgsysteem, en in het bijzonder de plaats die gezondheidspreventie en de eerste lijn daarin innemen, enerzijds, en de invloed van de prestatiegebonden financiering, anderzijds, op de aanpak en het beheer van de pandemie;

  2. de gevolgen van de besparingen die de laatste jaren in de zorgsector doorgevoerd werden en de impact van de privatisering en commercialisering in de zorgsector;

  3. het falen van de marktmechanismen om een antwoord te bieden aan de essentiële behoeften van de bevolking en het belang van een sterke, (pro)actieve en interveniërende overheid;

  4. de invloed van de versnippering van de bevoegdheden en het ontbreken van een centraal commando en een hiërarchie van de normen;

  5. het belang van het overleg met het personeel en de sector.

§ 3. De onderzoekscommissie stelt een verslag op met conclusies en aanbevelingen en bepaalt eveneens eventuele politieke verantwoordelijkheden.

Artikel 2

De commissie kan iedere persoon horen die ze meent te moeten laten verschijnen en ze kan beschikken over alle stukken die ze nuttig acht voor de vervulling van haar taak. De commissie kan in voorkomend geval de internationale contacten leggen die nodig zijn om haar taak te volbrengen.

Artikel 3

De commissie krijgt alle bevoegdheden waarin de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek voorziet.

Artikel 4

De commissie bestaat uit zeventien leden die de Kamer van volksvertegenwoordigers uit haar leden aanwijst, volgens de regel van de evenredige vertegenwoordiging van de fracties. Daarnaast omvat de commissie een niet-stemgerechtigd lid per niet-erkende fractie.

Artikel 5

De commissie kan ook alle maatregelen nemen die zij nodig acht om haar onderzoek met de vereiste deskundigheid te verrichten. Zij kan arbeids- of aannemingsovereenkomsten opmaken met aangezochte deskundigen. De duur van die overeenkomsten mag in geen geval die van de commissiewerkzaamheden overschrijden.

Artikel 6

De commissievergaderingen zijn openbaar. De commissie kan hierover echter op elk ogenblik anders beslissen onder meer indien gehoorden anoniem wensen te blijven.

Artikel 7

De commissie brengt ten laatste tegen 30 september 2020 publiek verslag uit aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

1 De Kamer, doc 55 COM 096

2 Advies nr. 48 van 30 maart 2009, p. 35

3 De Tijd, 23 april 2020

4 De Morgen, 7 juni 2020

5 VRT, 27 mei 2020

6 De Standaard, 6 juni 2020

7 De Standaard, 12 juni 2020

8 De Morgen, 26 mei 2020

9 De Tijd, 25 april 2020

10 De Standaard, 13 april 2020

Volg de PVDA op de voet