De oorlog in Oekraïne maakt duidelijk dat Europa meer dan ooit nood heeft aan duurzame veiligheid. De beste vorm is collectieve veiligheid, waarbij de veiligheid van de één de zorg van allen is.

Er bestaat reeds een Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) die precies dat doel nastreeft. De OVSE heeft in het verleden bewezen dat ze belangrijke akkoorden kan realiseren.

België kan daarin een voortrekkersrol spelen met een doctrine van ontwapening en samenwerking.

De veiligheid van de één is de zorg van allen

Veiligheid is een basisrecht, net als werk, gezondheid en onderwijs dat zijn. Een onbezorgd gevoel voor de dag die komt, dat krijg je maar in een veilige omgeving die je beschermt tegen oorlog, conflicten en bedreigingen. Voor jezelf, voor al wie jou dierbaar is, voor je buurt, voor je land. De enige duurzame veiligheid, is een collectieve veiligheid. Een veiligheid die alle betrokken actoren omhelst en vertrekt vanuit het principe dat de veiligheid van de één, de zorg van allen is en moet zijn.

De oorlog in Oekraïne maakt de behoefte aan zo’n collectieve veiligheid heel tastbaar. De enige weg die uitzicht biedt op stabiliteit en vrede, is er een die de veiligheid van Oekraïne, van Rusland, van de buurlanden en heel Europa integraal in rekening brengt. Een bijzonder moeilijke evenwichtsoefening, dat spreekt voor zich, maar wel het enige realistische en duurzaam alternatief voor een militair – en nucleair – opbod dat heel Europa in chaos dreigt te storten.

Dit evenwicht kan bewerkstelligd worden via een brede conferentie voor vrede, veiligheid en samenwerking in Europa die alle betrokken partijen rond de tafel brengt. Het goede nieuws is dat er al een platform voor bestaat: de OVSE, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

Wat is de OVSE?

We kunnen die OVSE nog het best definiëren als een soort regionale Verenigde Naties. Het verenigt 57 landen, uit een gebied dat zich uitstrekt van Noord-Amerika – met de Verenigde Staten en Canada – tot Centraal-Azië, en het hele Europese continent daartussen. 

Jarenlange discussies in dit kader mondden uit in afspraken over een tiental fundamentele principes die de gezamenlijke Europese veiligheid moeten garanderen. Principes die vastgelegd werden in de Slotakte van de Helsinki-akkoorden van 1975 (toen Europa nog verdeeld was) en in het Handvest van Parijs van 1990 (dat het einde van de Koude Oorlog bezegelde).

Het gaat over de volgende tien basisprincipes  - erg vergelijkbaar met die van het Handvest van de Verenigde Naties:

  1. soevereine gelijkheid, respect voor de rechten die inherent zijn aan soevereiniteit;
  2. zich onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld;
  3. onschendbaarheid van grenzen;
  4. territoriale integriteit van staten;
  5. vreedzame beslechting van geschillen;
  6. niet-interventie in interne aangelegenheden;
  7. respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst of overtuiging;
  8. gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren;
  9. samenwerking tussen staten
  10. te goeder trouw nakomen van verplichtingen onder het internationaal recht.

Veiligheid voor allen

Belangrijk is dat de OVSE hierbij duidelijk een brede visie op veiligheid hanteert: het integreert niet alleen strikt de politiek-militaire aspecten van veiligheid, maar kijkt veel breder naar de economisch-ecologische en menselijk-sociale dimensies.

Centraal staat de idee van “collectieve en ondeelbare veiligheid”. Met andere woorden: mijn veiligheid, is jouw veiligheid. Dat is zo tussen mensen, dat is zo tussen staten. In het Handvest van Europese Veiligheid (1999) luidt dit essentieel principe als volgt: “Elke deelnemende staat zal de rechten van alle andere staten eerbiedigen. Zij zullen hun veiligheid niet vergroten ten koste van de veiligheid van andere staten.”

Deze collectieve benadering breekt met het blokdenken van de Koude Oorlog, waar er wel samenwerking is binnen elk blok, maar waarbij die samenwerking gericht is tegen een ‘externe vijand’. Wij zetten hier het principe van ‘collectieve veiligheid’ tegenover, dat veiligheid en samenwerking tussen alle landen vooropzet, in het voordeel van alle landen.

De OVSE speelde tijdens de Koude Oorlog een belangrijke rol in het doen afnemen van de spanningen tussen Oost en West. De drie ontwapeningsakkoorden die in haar schoot gesloten werden, deed ook het vertrouwen tussen de Europese landen groeien.

  • In het Document van Wenen van 1990 verbinden de OVSE-landen zich ertoe informatie uit te wisselen over de omvang en de structuur van hun strijdkrachten en elkaar in te lichten over grootschalige militaire oefeningen;
  • Het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa (CFE, 1992) stelt beperkingen aan grote militaire uitrustingssystemen;
  • Het Verdrag inzake het open luchtruim van 2002 (het Open Skies-verdrag), tenslotte, staat wederzijds ongewapende luchtverkenning toe.

Rusland schortte in 2007 deelname aan het CFE op en zette het in 2015 stop, omdat Moskou vond dat de Navo de gemaakte afspraken schond. Alleszins: onderhandelingen over ontwapening zijn dus zeker denkbaar in de schoot van de OVSE.

Vandaag kunnen er binnen de OVSE afspraken gemaakt worden over de neutrale status van bepaalde landen, met de nodige veiligheidsgaranties. Het gaat dan om een status die garandeert dat een land noch door Rusland, noch door de Navo of de EU ‘ingekapseld’ kunnen worden en dat er geen buitenlandse militaire basissen, troepen of wapensystemen gestationeerd worden, laat staan kernwapens.

Werken binnen de OVSE biedt de beste garanties op een duurzame oplossing. Zoals Annemarie Gielen van Pax Christi het verwoordde op de vredesmanifestatie van 26 februari in Brussel: “De kracht van de OVSE ligt in haar doel: de veiligheid in Europa vergroten en de onderlinge samenwerking tussen de lidstaten versterken. Snelle stappen vooruit kunnen we niet zetten. Toch is werken aan veiligheid én samenwerking de beste combinatie om tot langdurige vrede te komen.”

En waarom zou een klein, centraal gelegen en multicultureel land als België daar geen voortrekkersrol in kunnen spelen? Dat is ook de mening van Pierre Galand, voormalig PS-senator en pionier van de vredesbeweging in België, op diezelfde vredesmanifestatie: “Ons land is in staat een doctrine te hebben van ontwapening. Een doctrine van kernontwapening. Een doctrine van samenwerking in Europa, met alle volkeren van Europa”.