België: een herstelplan dat vooral de multinationals een duwtje wil geven

Foto Belga

De federale en regionale regeringen hebben allemaal hun eigen herstelplannen opgesteld. Na jaren van door de EU opgelegde armoe, belooft men ons miljarden aan overheidsinvesteringen. Een groot deel daarvan komt van het manna van de Europese Unie. Komen we na decennia van besparingen en knippen op de begroting eindelijk uit de bezuinigingslogica? Wat zijn de doelstellingen van deze plannen? Wat is de inzet voor België? We hebben een en ander onderzocht.

Het Europese herstelplan omvat 750 miljard euro aan investeringen over een periode van vijf jaar en vormt de strategie van de EU om de economie weer op gang te krijgen na de coronapandemie. Maar als we in België over herstel horen spreken, horen we naast “Europees plan” nog andere benamingen. Vlaanderen kondigt zijn herstelplan “Vlaanderen Veerkracht” aan, waarmee 4,3 miljard aan investeringen is gemoeid. Voor Wallonië is het “Get Up Wallonia”, goed voor 3,1 miljard euro aan investeringen. Voor Brussel gaat het met “Go4Brussels 2030” naar schatting om 1,2 miljard euro. Op federaal vlak zijn de geplande stimuleringsmaatregelen goed voor een budget van 7 miljard euro.

Maar achter deze aankondigingen rijst de vraag naar de financiering. Voorlopig is het enige zekere budget dat van het Europees herstelplan. Voor de rest van de investeringen rekenen de regionale en federale overheden op andere Europese financieringen of leningen, maar dat is nog niet helemaal rond. In de komende maanden zullen de herstelmaatregelen dus in de eerste plaats uit de fondsen van het Europees herstelplan worden betaald.

Om de sociaal-economische gevolgen van het coronavirus het hoofd te bieden, heeft de Europese Unie een budget van 750 miljard euro vrijgemaakt. Elke lidstaat van de Unie heeft recht op een vast deel van dat budget. Om daarvoor in aanmerking te komen, moet die een lijst van investeringsprojecten voorleggen aan de Europese overheid. Die kan deze projecten al dan niet selecteren, al naargelang ze met de Europese doelstellingen stroken. Naast deze investeringen eist de Unie ook dat de lidstaten hervormingen voorstellen om hun beleid af te stemmen op het Europees sociaal en economisch beleid en het Europees milieubeleid.

De Europese Unie mikt op investeringen in de energie- en klimaattransitie (37% van de middelen moet hieraan worden besteed) en op de ontwikkeling van digitale technologieën (die 20% van de investeringen moeten vertegenwoordigen).

België zal in het kader van dit herstelplan 5.926 miljard euro ontvangen. Deze enveloppe werd verdeeld tussen de Belgische federale staat en de gewesten en gemeenschappen. De federale regering zal 1,25 miljard euro ontvangen. Het Vlaams Gewest krijgt 2,255 miljard, Wallonië 1,48 miljard, de Federatie Wallonië-Brussel 495 miljoen, het Brussels Gewest 395 miljoen en de Duitstalige Gemeenschap 50 miljoen.

België diende 84 projecten in die met Europees geld moeten worden betaald. Het volledige plan staat online.1 Die projecten komen uit de regionale en federale herstelplannen. Het resultaat van de Europese evaluatie van de projecten zal in de komende dagen bekend worden.

Belgisch(e) herstelplan(nen): rommelig en ondoorzichtig

Het Belgische deel van het Europese herstelplan is uniek, in die zin dat er veel verwarring heerst over de aankondigingen erover. Elk Gewest en elke Gemeenschap en ook de federale staat heeft een eigen herstelplan opgesteld. De federale regering en de Gewesten, aangevoerd door Vlaanderen en Wallonië, zijn in een koehandel verwikkeld om de door de Europese Unie toegewezen bedragen te bepalen.

De bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de Gewesten maakt het onmogelijk om uit te gaan van één overkoepelende visie en tot één plan en één taakverdeling te komen, die rekening houdt met de specifieke sterke punten van de Gewesten. Elke entiteit redeneert binnen de grenzen van haar institutionele bevoegdheden. Er is niet één niveau dat het geheel kan overkoepelen, want de federale regering staat niet boven de Gewesten.

Een van de gevolgen is dat de Gewesten, met name Vlaanderen en Wallonië, plannen maken als autonome entiteiten, wat leidt tot inconsistenties, een gebrek aan synergie, parallelle en dubbele investeringen en een enorm verlies aan efficiëntie. De enige begunstigden van deze versnippering zijn de particuliere actoren die meerdere malen subsidies kunnen aanvragen bij de verschillende entiteiten.

Dat is precies het tegendeel van wat staatssecretaris Thomas Dermine (PS), die verantwoordelijk is voor het herstelplan, beweert: "Het Belgische plan is geen samenraapsel, maar een samenhangend geheel." (Le Soir, 30 april). Met Europees geld wordt een lappendeken van maatregelen gefinancierd, zonder enige totaalvisie. De besprekingen over de lijst van geselecteerde projecten zijn in het volste geheim gevoerd, zonder enige discussie in de regionale of federale parlementen of met de sociale partners. De precieze investerings- en hervormingscomponenten van het Belgische deel van het herstelplan waren pas bekend nadat zij aan de Europese Unie waren doorgegeven.

 


Kritiek nr. 1: Een herstelplan om met overheidsgeld de winsten van grote bedrijven te verhogen

Groene energiebronnen ontwikkelen, investeren in digitale infrastructuur, de circulaire economie bevorderen, ... De thema's die in het Europees herstelplan worden aangekondigd, lijken op het eerste gezicht interessant, maar alles hangt natuurlijk af van wie zal profiteren van de investeringen en hoe ze zullen worden uitgevoerd.

De strategie van de Europese Unie is duidelijk. Haar plan is georganiseerd door en voor de belangen van de grote Europese kapitalisten. Het moet hen in staat stellen hun technologische achterstand in te lopen, nieuwe producten te ontwikkelen of nieuwe markten te veroveren. Dat vergt zware investeringen, waartoe werkgevers en particuliere financiers niet bereid zijn, omwille van de kosten, de risico's en de tegenstelling tussen investeringen op lange termijn en de noodzaak om op korte termijn winst te maken en te voldoen aan de verwachtingen van de aandeelhouders en de beurzen. De voor Europese financiering ingediende projecten worden volgens die logica geselecteerd.

In de Belgische projecten is de bouw van een kunstmatig eiland in de Noordzee een voorbeeld van de toepassing van deze strategie. Deze "energiehub" moet het mogelijk maken de Belgische hernieuwbare energieproductie te structureren, door de productie van de windmolenparken op zee samen te brengen en als knooppunt met de buurlanden te fungeren. Die werken zijn nodig om het energiemodel te veranderen en de uitdagingen van de klimaatverandering aan te gaan. Maar geen enkele particuliere energiespeler zou de middelen hebben om een kunstmatig eiland op eigen kracht te ontwikkelen. Dat is een riskant en duur project. De particuliere sector zal echter het meest van deze investering profiteren. Bij gebrek aan overheidscontrole zullen particuliere energieverdelers de geproduceerde energie op de markt kunnen brengen en er winst mee maken. De grote bedrijven die betrokken zijn bij de bouw van het eiland en de windmolenparken zullen dit prestigeproject gebruiken om ervaring op te doen, vaardigheden te ontwikkelen en contracten in de wacht te slepen om elders in Europa en de wereld een soortgelijke infrastructuur te bouwen. Als het om overheidsinvesteringen gaat, kan men zich afvragen waarom de overheid de energietransitie niet zelf in handen neemt in plaats van die aan de particuliere sector te geven.

Deze greep van de particuliere sector in het Europese herstelplan blijkt ook uit het feit dat veel overheidsinvesteringen rechtstreeks door particuliere ondernemingen worden aangestuurd. Nieuwe bronnen van groene energie ontwikkelen voor de zware industrie, zoals de chemische en de staalindustrie, is een van de uitdagingen op het gebied van klimaat en energie. Waterstof aanwenden is een van de meest concrete denksporen. Zo kan men enerzijds groene, zonne- of windenergie - waarvan de productie wordt bepaald door de weersomstandigheden - omzetten, opslaan en verdelen en anderzijds de door de industrie geproduceerde CO2 opvangen en in een nieuwe energiebron omzetten (methaan, volgens de formule: H2+CO2= CH4+O2).

De technologieën bestaan maar blijven te duur voor de particuliere industrie. Het Europese herstelplan schiet dus te hulp, door projecten van ArcelorMittal, Engie of de Antwerpse petrochemische multinationals rechtstreeks te financieren. Zo zal Ineos, een van de koplopers in de exploitatie van het bijzonder vervuilende schaliegas, waarschijnlijk Europese middelen uit Vlaanderen ontvangen om zijn productie in Antwerpen te "vergroenen".2 Kortom, de kosten voor klimaatsanering van de grootste vervuilers worden verhaald op de overheid, terwijl de particuliere sector in zijn eentje projecten kan aansturen en de winsten ervan opstrijken.

Maar investeringen in bijvoorbeeld de isolatie van openbare gebouwen of in openbaar vervoer, stroken niet met deze logica van onderwerping aan de particuliere sector en beantwoorden aan openbare behoeften. Deze projecten zouden echte overheidsinvesteringen moeten zijn, maar toch geeft men de voorkeur aan publiek-private partnerschappen (PPP's). Dat wil zeggen, in plaats van de volledige investering met overheidsgeld te financieren, zullen deze projecten een beroep doen op particuliere fondsen. Het is bekend dat deze regelingen duurder zijn, omdat men de particuliere partij voor haar deelneming en "het nemen van risico's" veel meer moet terugbetalen dan de geïnvesteerde bedragen.3 Zij geven de particuliere sector ook de kans om markten te betreden die voorheen voorbehouden waren aan de overheid. Zelfs op dit gebied zal de particuliere sector profiteren van overheidsgeld.

De plannen zijn helemaal niet uitgetekend volgens de behoeften van de grote meerderheid van de bevolking maar op maat van de dogma’s van de markt:

      • Het gaat grotendeels om publiek-private investeringen. Het geïnvesteerde overheidsgeld wordt in de eerste plaats gezien als steun aan de particuliere sector om toekomstige markten als duurzame technologieën te veroveren. De overheid draagt ook de kosten van de infrastructuur, die hoofdzakelijk ten goede komt aan particuliere spelers in die sectoren die weigeren om zelf te investeren.

      • Al dit geïnvesteerde overheidsgeld dat ten goede komt aan de particuliere sector ontsnapt aan elke overheidscontrole. De overheid neemt de risico’s en treedt op als “laatste verzekeraar”, zodat de private monopolies hun activiteiten vrijwel “zonder risico” kunnen opzetten.

      • Deze investeringen gebeuren op basis van de markt, op basis van wat winstgevend is, en niet op basis van de behoeften van mens en natuur.

Voor de werkende bevolking biedt het Europese herstelplan amper uitzicht op nieuwe jobs. In België zouden de investeringen van 6 miljard minder dan 2500 banen opleveren.4 Het herstelplan is niet bedoeld om banen te scheppen, niet om de slachtoffers van de crisis te helpen, maar om particuliere bedrijven te helpen hun winsten te behouden en te vergroten met overheidsgeld. Het is een openbare dienstverlening aan de particuliere sector. En neen, het is helemaal niet het idyllische beeld dat de Staatssecretaris voor Relance Dermine schetst wanneer hij zegt: "Ons plan is in de eerste plaats een zeer krachtig signaal over de onmisbare rol van overheidsinvesteringen."

Kritiek nr. 2: Asociale hervormingen hergebruiken

Naast investeringsprojecten eist de Europese Unie van de lidstaten hervormingen op basis van haar aanbevelingen op het gebied van sociaal-economisch beleid. De regionale overheden en de Belgische federale regering hebben over dit onderdeel van het Belgische herstelplan zeer weinig gecommuniceerd en hebben het liever over investeringen. Niet zonder reden, want uit de lijst van hervormingen die onze regeringen aan de Europese Unie hebben voorgelegd, blijkt hoe de regionale en federale regeringen van plan zijn om een asociaal beleid te voeren. Op federaal niveau omvat het door België bij de Unie ingediende document5

(1) Belastinghervorming om de "lasten op arbeid", d.w.z. de door de werkgevers betaalde sociale bijdragen, te verlichten in ruil voor hogere en zoals we weten onrechtvaardige milieubelastingen voor de gezinnen (ecotaks, groene btw, brandstofbelasting, kilometerheffing, enz.).

(2) Pensioenhervorming, waarbij sprake is om "de effectieve loopbaanduur van de werknemers op te trekken" en "voorts blijft het de doelstelling om de tweede pensioenpijler verder te veralgemenen", d.w.z. de loopbanen te verlengen en particuliere pensioenfondsen te veralgemenen.6

(3) Verdere liberalisering van de Belgische spoorwegen, zoals bepaald in het federale regeerakkoord: intrede van de particuliere sector in de overheidsbedrijven, nastreven van productiviteitswinst voornamelijk door het bevriezen van de aanwervingen, totstandbrenging van een contractuele relatie tussen de staat, de NMBS en Infrabel.

(4) Elektrificatie van het bedrijfswagenpark, ten voordele van de werkgevers, die hiermee de loonbelasting kunnen omzeilen, en van de multinationale autofabrikanten, die elektrische voertuigen zullen kunnen verkopen.7

De gewesten konden hervormingen voorstellen. Zo stelt Wallonië voor om de "begeleiding van werkzoekenden" te herzien. De druk op werklozen wordt zo opgevoerd met behulp van verschillende instrumenten: het gebruik van kunstmatige intelligentie om profielen beter "in het vizier te krijgen", de evaluaties voor het zoeken naar werk verstrengen met het oog op efficiëntie, coaching en versterkte activering, ... Al deze maatregelen sluiten steeds meer werknemers uit van hun recht op een werkloosheidsuitkering, wat zeer onrechtvaardig is op een moment dat de crisis de werkonzekerheid nog eens vergroot.

Ten slotte hebben zowel de federale regering als de gewesten er zich op verzoek van de Europese Unie en de OESO toe verbonden hun overheidsuitgaven zo nauwgezet mogelijk te controleren, om voorrang te geven aan de meest "productieve" uitgaven en bepaalde budgetten af te bouwen. Hier gaat het hoofdstuk "Uitgaventoetsingen" van het herstelplan over. Dit alles terwijl de deur wordt opengezet voor het gebruik van particuliere consultants en die van de OESO zelf.

We kennen de "recepten" van de Unie, de OESO en particuliere consultants8: bezuinigingen en de privatisering van openbare goederen en diensten aanmoedigen. De doelstellingen van deze uitgaventoetsingen zijn vrij duidelijk. Op federaal niveau is er sprake van "selectieve uitgaventoetsingen in het reguliere begrotingsproces op federaal niveau en in de sociale zekerheidssector". Op Vlaams niveau is er sprake van een "maxima[al] groeipad van de overheidsuitgaven". In Wallonië is er sprake van "De kloof tussen ontvangsten en uitgaven [... te] beperken" en in Brussel van "het terugdringen van de uitgaven met een lage prioriteit" en "begrotingsconsolidatie". Dit betekent een grotere druk op het nationale socialezekerheidsstelsel en een voortdurende blokkering van de overheidsbegrotingen op alle bestuursniveaus.

De mogelijkheden voor meer overheidsinvesteringen lijken zeer beperkt. Aangezien er niet wordt afgeweken van de Europese verdragen, dreigt het beleid te worden voortgezet dat werknemers, gezinnen (die gedwongen worden groene belastingen te betalen zonder over alternatieven te beschikken voor verwarming of vervoer) en gepensioneerden nog armer maakt. Aan de andere kant slaan de werkgevers hun slag: voor hen gaan nieuwe markten open terwijl de fiscale achterpoortjes die hen ten goede komen gehandhaafd blijven of zelfs versterkt worden. Daarnaast is men nog steeds van plan om hun bijdragen ter financiering van het overheidsbeleid te verminderen.

Kritiek nr. 3: Investeringen in openbare infrastructuur: te weinig en te laat.

Het Belgische deel van het Europese herstelplan omvat ook investeringen in openbare infrastructuur: openbaar vervoer, woningbouw, renovatie en isolatie van openbare gebouwen, investeringen in onderwijs en gezondheidszorg. Deze investeringen zijn meer dan noodzakelijk, het gaat vaak om projecten die al jaren of zelfs decennia liggen te wachten en nu eindelijk worden gefinancierd. Het gaat onder meer om de renovatie van Franstalige scholen en sociale woningen in Brussel, de aankoop van minder vervuilende bussen voor De Lijn, de uitbreiding van de metro van Charleroi en investeringen in spoorweginfrastructuur.

Maar de geïnvesteerde bedragen zijn veel te klein om tegen decennia van bezuinigingen op te wegen. Op het gebied van mobiliteit bedragen de bezuinigingen op investeringen in de afgelopen tien jaar alleen al wat betreft de spoorwegen ongeveer twintig miljard euro. De begroting voor het herstelplan bedraagt minder dan 400 miljoen euro. Ook de aangekondigde bijkomende investeringen bij De Lijn wegen niet op tegen de bezuinigingen die door de huidige Vlaamse regering en haar voorganger werden opgelegd.9 In België wachten meer dan 200.000 gezinnen op een sociale woning. Met de bedragen van het herstelplan, 250 miljoen euro, kunnen er in het beste geval een paar honderd worden gebouwd, alleen in Wallonië, want bij het overleg over de investeringen die onder Europese financiering vallen, hebben Brussel en Vlaanderen er de voorkeur aan gegeven de sociale woningbouwprojecten niet te behouden.

Deze bezuinigingen werden doorgevoerd in naam van het Europese beleid van begrotingsdiscipline en het blokkeren van overheidsinvesteringen door het Europese keurslijf van regelgeving. Het is ironisch dat de EU nu de investeringen wil ondersteunen die ze vroeger vaak heeft geblokkeerd. Het tramdossier in Luik is een goed voorbeeld: overeenkomstig de Europese begrotingsregels heeft het Waals Gewest de voorkeur gegeven aan een publiek-privaat partnerschap in plaats van 100% overheidsinvestering.10 Deze opzet kostte miljoenen meer, legde het project jarenlang stil en beperkte de reikwijdte ervan.11 In het kader van het herstelplan zou de Luikse tram nu Europese financiering krijgen voor zijn uitbreiding.

Als we blijven wachten op een herstelplan voor overheidsinvesteringen om de huidige en toekomstige sociale uitdagingen en klimaatuitdagingen het hoofd te bieden, zijn we er nog lang niet.

Een ontoereikende en onduidelijke strategie voor het stimuleren van overheidsinvesteringen

Of het nu op Belgisch of Europees niveau is, de overheidsinvesteringen moet dringend nieuw leven worden ingeblazen. Als gevolg van een door neoliberale ideeën geleid bezuinigingsbeleid is in de overheidsbegrotingen gesnoeid en zijn de investeringen beperkt, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, het onderwijs, het openbaar vervoer en justitie.

Laten we een vergelijking trekken met een huis: het moet elk jaar worden onderhouden om te voorkomen dat het beschadigd raakt, wat in België niet is gebeurd. Sinds de jaren zeventig zijn de overheidsinvesteringen gedaald van 4 à 5% van het bbp per jaar tot minder dan 2%. Dat betekent dat het deel van de rijkdom dat jaarlijks door de Belgische economie en haar werknemers wordt voortgebracht en dat aan investeringen en onderhoud van de openbare infrastructuur wordt besteed, is gehalveerd.

Opeenvolgende regeringen hebben ons gemeenschappelijke huis in verval laten raken: energieslurpende openbare gebouwen, vervallen scholen, ziekenhuizen met onvoldoende plaatsen, overvolle crèches, slecht onderhouden en ontoereikende sociale woningen, treinen die te laat komen. Of het nu gaat om de Nationale Bank, de Europese Unie of de federale regering, zelfs de voorstanders van dit economisch beleid erkennen de nadelen ervan.

In de inleiding van het Belgische herstelplan wordt erop gewezen dat België "alleen al in de afgelopen 20 jaar [...] een tekort aan overheidsinvesteringen [heeft] opgebouwd van ongeveer 70 miljard euro ten opzichte van het Europese gemiddelde". Dit is de slechtste "prestatie" van alle buurlanden. Als we echter ons huis willen verbouwen, isoleren, uitbreiden, het verwarmingssysteem willen ombouwen, dan moeten we veel meer investeren. Wij schatten dat er voor heel België een extra overheidsinvestering van tien miljard per jaar nodig is om de klimaatcrisis het hoofd te bieden.

De begrotingen van het Europese herstelplan voldoen echter bij lange na niet aan deze ambities. De 750 miljard aan investeringen over een periode van vijf jaar vertegenwoordigt minder dan 1% van het Europese bbp. In België heeft het Planbureau de weerslag van het Europese plan berekend: een stijging van het aandeel overheidsinvesteringen van het bbp met 0,2%. Thomas Dermine en de regionale regeringen geven te kennen dat ze verder willen gaan dan dit Europese plan, door alle maatregelen te financieren waarin de regionale en federale herstelplannen voorzien, om het percentage overheidsinvesteringen op te trekken tot 3,5 of zelfs 4% van het bbp. Volgens onze ramingen komt dit neer op een extra investering van 10 miljard euro.

Om een ambitieus investeringsbeleid te kunnen voeren, zouden de overheden zich moeten toestaan middelen te lenen, die vervolgens zouden worden terugbetaald door de baten van de hiermee gefinancierde projecten. Dit druist echter in tegen de Europese begrotingsverdragen en met name het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (VSCB - inwerkingtreding in 2013), dat het aangaan van leningen voor de financiering van overheidsinvesteringen strikt beperkt. Het debat over dit onderwerp woedt op Belgisch en Europees niveau.

De sociaaldemocraten, onder leiding van Thomas Dermine, doen het voorkomen alsof zij deze verdragen enkele jaren kunnen negeren. Sommige vertegenwoordigers van rechts zijn voorstander van deze “opschorting” om de investeringen te stimuleren, niet voor de openbare dienstverlening, maar met het oog op het concurrentievermogen: om te voorkomen dat Europa economisch achterloopt ten opzichte van China en de Verenigde Staten. Maar ook al is dit "venster" veel te klein om decennia van bezuinigingen teniet te doen, toch zijn veel liberalen en conservatieven ertegen. De Vlaamse liberaal Vincent Van Quickenborne (Open Vld) heeft er al op gewezen dat België "zijn begrotingstraject moet respecteren" en dus moet doorgaan met zijn beleid om de uitgaven te beperken.

We zien dat het niet gemakkelijk zal zijn echte speelruimte te vinden om de investeringen (en niet zomaar hier en daar een paar miljard) te stimuleren. Tenzij de Europese Unie het aandurft een aantal kernpunten van haar bezuinigingsbeleid te heroverwegen. Op dit moment zijn we er nog lang niet.

 

Welk alternatief voor welk herstel?

Of het nu gaat om de geïnvesteerde bedragen, de geselecteerde projecten of het daarmee samenhangende beleid, het Europese herstelplan lijkt op een overdracht van overheidsgeld naar de particuliere sector en een heruitgave van het oude asociale beleid. Dit is het tegenovergestelde van wat we willen om tegemoet te komen aan de behoeften van de werknemers en hun gezinnen.

Zoals PVDA-voorzitter Peter Mertens in zijn boek "Ze zijn ons vergeten" uitlegt, roepen wij op tot een grootscheeps investeringsplan voor na de crisis, dat de behoeften van mens en milieu als leidraad neemt. Dit broodnodige investeringsplan is niet een van die plannen waardoor de particuliere reuzen zich kunnen blijven verrijken door uitbuiting. Het is tijd voor een omslag, het is tijd voor publiek initiatief in de organisatie en de productie van energie, transport, digitale technologie en zorg. Een plan om dringende sociale noden en klimaatbehoeften aan te pakken. Een plan dat iedereen toegang geeft tot gezondheid en onderwijs. Dat voor openbare groene energievoorziening zorgt. Dat efficiënt en toegankelijk openbaar vervoer verzekert. Dat de digitale kloof wegwerkt met publieke datanetwerken en gratis wifi. Dat plan is ons Prometheus-plan. Dit impliceert veel grotere investeringsvolumes dan die welke in dit herstelplan worden aangekondigd en dus een definitieve breuk met de Europese bezuinigingen om deze ambitieuze projecten te kunnen uitvoeren.

Investeringen in deze sectoren moeten worden uitgevoerd volgens een "publiek-publieke" logica: overheidsgeld voor projecten en infrastructuur die noodzakelijk zijn voor de bevolking, die de klimaat- en sociale crisis aanpakken en die kwaliteitsbanen en maatschappelijk nuttige activiteiten creëren. Niet om nieuwe markten te creëren voor Belgische en Europese werkgevers. Zoals Peter Mertens het onlangs zei: "Vandaag pompen we duizenden miljarden in het systeem, maar al dat geld vloeit bijna rechtstreeks naar de graaikapitalisten van Big Pharma, naar de fossiele energiegiganten, naar de techreuzen die onze privacy opeten, of naar de speculanten op de beurs. Net als na de bankencrisis. Dat is geen oplossing. Als we ons bevrijden van het virus, moeten we ons ook bevrijden van de grote particuliere tentakels die de Aarde beheersen."

Het is van essentieel belang dat de overheid controle uitoefent over de investeringen zelf en over de sectoren waarin het geld wordt geïnvesteerd (bescherming van de bestaande openbare diensten en socialisering van sleutelsectoren zoals energie). Anders zal ofwel het overheidsgeld ten goede komen aan de particuliere sector, die de vruchten zal plukken van de investeringen en de nieuwe infrastructuur, ofwel zullen de investeringen, via het mechanisme van de publiek-private partnerschappen, door de kortetermijnlogica van winstgevendheid van particuliere mede-investeerders worden aangedreven en zullen zij veel meer kosten.

Volg de PVDA op de voet