Theo Francken wil oorlogsgeneeskunde verplicht maken, en dat is een slecht idee
Minister van Defensie Theo Francken wil oorlogsgeneeskunde verplicht maken voor studenten geneeskunde. Hij zal dat de komende dagen ongetwijfeld verkopen als een nuchtere maatregel: beter voorbereid zijn op wat we zogezegd allemaal hopen te vermijden. Maar deze maatregel is allesbehalve neutraal. Ze past in een bredere logica die oorlog niet voorkomt, maar haar stap voor stap normaliseert, schrijft Peter Mertens.
door Peter Mertens,
algemeen secretaris van de PVDA
We doen er goed aan om even over de grens te kijken. In Duitsland woedt een gelijkaardig debat. En belangrijker nog: daar heeft men in de jaren 1980 al eens geprobeerd om oorlogsgeneeskunde in het zorgsysteem te verankeren. Een brede beweging van artsen, verpleegkundigen, studenten en organisaties is er toen in geslaagd om die plannen tegen te houden.
Hun boodschap was helder: de taak van gezondheidswerkers is niet om oorlog medisch mogelijk te maken, maar om de oorzaken van oorlog politiek ter discussie te stellen.
Wat onze contacten bij de Duitse Vereniging van Democratische Artsen ons vertellen over die geschiedenis, leert ons minstens zes redenen om ons te verzetten tegen het slechte idee van Theo Francken.
1. Oorlogsgeneeskunde normaliseert oorlog
Wat hier gebeurt, is niet zomaar een curriculumwijziging. Artsenopleidingen worden ingeschakeld in een bredere mentale voorbereiding op oorlog. Door oorlog binnen te brengen in medische vorming, wordt ze voorgesteld als een realistisch en beheersbaar scenario — als iets waarvoor je lessen, protocollen en vaardigheden kan ontwikkelen.
Maar voorbereiding verandert niets aan wat oorlog aanricht. Wat ze wél doet, is ons laten wennen aan het idee dat oorlog een mogelijkheid is waar we rekening mee moeten houden. Zo wordt oorlog stap voor stap genormaliseerd: niet als politiek falen, maar als een scenario dat “erbij hoort”. In die zin bereidt oorlogsgeneeskunde de samenleving psychologisch voor op het onaanvaardbare.
2. Het wekt de illusie dat oorlog medisch oplosbaar is
De suggestie dat betere opleiding, medische kennis en organisatie het verschil kunnen maken bij grootschalige oorlog is misleidend. Bij oorlog overschrijdt het aantal slachtoffers elke medische capaciteit. Ziekenhuizen worden vernield, infrastructuur valt uit en zorgverleners lopen zelf levensgevaar.
Medische hulp bij grootschalige oorlog wordt dan ook objectief onmogelijk. Voorbereiding verandert niets aan die realiteit, maar verhult haar. Zo ontstaat de gevaarlijke illusie dat oorlog “op te vangen” valt, en dus niet per se vermeden moet worden.
3. Het schuift politieke verantwoordelijkheid door naar de zorg
Wanneer oorlog als zorgprobleem wordt voorgesteld, verandert ook de vraag die gesteld wordt. Niet: welke politieke keuzes leiden tot oorlog? maar: zijn onze artsen en ziekenhuizen wel klaar?
Zo verschuift de aandacht van bewapening, escalatie en regeringsbeslissingen naar de zorgsector, die vervolgens met de gevolgen moet omgaan. Wat een politieke verantwoordelijkheid is, wordt afgewenteld op zorgverleners die vandaag al onder hoge druk werken.
4. Civiele en militaire geneeskunde dienen fundamenteel andere doelen
Civiele geneeskunde vertrekt van zorg naar behoefte, gericht op het individu. Militaire geneeskunde staat in functie van inzetbaarheid en operationele capaciteit. Die logica’s zijn niet neutraal uitwisselbaar. Ze vermengen betekent dat civiele zorg wordt meegetrokken in militaire doelstellingen - en dat ondergraaft de ethische basis van gezondheidszorg.
5. Militarisering verzwakt het zorgsysteem dat ze zegt te beschermen
In een zorgsector die nu al draait op overbelasting en personeelstekorten is dit de verkeerde prioriteit. Militarisering verbetert de arbeidsomstandigheden niet, creëert geen extra handen aan het bed en versterkt geen eerstelijnszorg. Ze investeert niet in preventie.
In plaats van het zorgsysteem te versterken, dreigt militarisering het juist te vervormen: opleidingen en specialisaties dreigen afgestemd te worden op militaire noden, ziekenhuisplanning kan verschuiven van zorggericht naar militair-strategisch, en schaarse middelen - personeel, bedden, opleidingstijd – worden verschoven, weg van de dagelijkse zorg. Dat maakt de zorg niet sterker, maar kwetsbaarder.
6. Gezondheidswerkers hebben dit al eens doorgedacht - en verworpen
Gezondheidswerkers hebben deze strijd al eens gevoerd — en gewonnen. In Duitsland lagen eind jaren 1970, in de context van de Koude Oorlog, plannen op tafel voor verplichte oorlogsgeneeskunde, militaire triage, inzetbaarheid van civiel zorgpersoneel en verregaande toegang van Defensie tot ziekenhuizen.
Daartegen kwam massaal verzet uit de gezondheidssector: artsen, verpleegkundigen, studenten en organisaties mobiliseerden zich, met een centrale rol voor International Physicians for the Prevention of Nuclear War.
“Wir werden euch nicht helfen können”, klonk het. Met die slogan wilden artsen de illusie doorbreken dat oorlog beheersbaar wordt als men zich maar voldoende voorbereidt. Er bestaat geen medische oplossing voor oorlog, geen humanitaire façade die oorlog aanvaardbaar maakt.
'Preventie is het enige medicijn', was de boodschap: het voorkomen van oorlog is de enige ethisch verantwoorde medische taak. Artsen moeten niet beter voorbereid zijn of oorlog niet ‘medisch’ mogelijk maken, artsen moeten de oorzaken van oorlog politiek ter discussie stellen.
En door dit aanhoudende verzet was de regering indertijd genoodzaakt haar plannen in te trekken. Misschien is het wel inspiratie voor vandaag. Hoe gezondheidswerkers er toen voor kozen om geen radertje te worden in oorlogsplanning. Ze legden de verantwoordelijkheid terug bij de politiek. Die keuze was toen nodig. Ze is dat vandaag opnieuw.