We brengen de PVDA dichter bij jou en jou dichter bij de PVDA.!

Download onze app

Onderwijs

Ieder kind heeft het in zich om wetenschappelijke, technische, artistieke en taalkundige vaardigheden te ontwikkelen. Ons onderwijs kan al dat talent doen schitteren. Maar na tien jaar rechts beleid verkeren onze scholen in crisis: lerarentekort, financiële problemen, hoge prestatiedruk... Tijd voor verandering. We willen excellent onderwijs voor iedereen. We stappen af van de vroege schoolkeuze, zorgen voor meer handen in de klas en hebben aandacht voor de ontplooiing van elke jongere.

Scandinavië heeft één van de beste onderwijsstelsels ter wereld. Niet alleen op vlak van kwaliteit, maar ook op vlak van gelijkheid. De sleutel tot dat succes is de manier waarop de Scandinavische landen hun onderwijs hebben uitgebouwd. Leerkrachten worden er goed opgeleid en betaald. Ze geven les in kleine klassen. Het onderwijs is volledig gratis, van de lagere school tot aan de universiteit. Leerlingen krijgen een brede basisopleiding die voor iedereen dezelfde is met veel ruimte voor cultuur, sport en spel. Ze doen dat vanuit de visie dat er een overvloed aan talent schuilt in alle leerlingen en studenten uit alle lagen van de samenleving. 

In Vlaanderen staat de kwaliteit van het onderwijs, door de visie van de N-VA, zwaar onder druk. Bovendien kampt Vlaanderen met een van de meest ongelijke onderwijsstelsels ter wereld, waardoor veel talent onbenut blijft. Luc De Schepper, rector van de UHasselt, trok aan de alarmbel: “Eind jaren 1990 kwam bijna één op drie van de afgestudeerden uit een gezin met laaggeschoolde ouders. Vandaag is dat nog maar één op vijf.” De democratisering van het hoger onderwijs hapert. De oorzaak ligt vooral bij de werking van het middelbaar en het lager onderwijs. Daar wordt ongelijkheid gereproduceerd: van de armste kinderen komt één op twee in het beroepsonderwijs terecht. Bij de rijkste kinderen is dat één op de 30. Vlaanderen is koploper in segregatie. Bijna nergens vind je zoveel leerlingen in concentratiescholen: scholen met een overvloed aan kansarme leerlingen aan de ene kant en scholen met een overvloed aan kansrijke leerlingen aan de andere kant. Vlaanderen is ook kampioen in het zittenblijven. Op hun vijftiende is bijna één op drie kinderen al blijven zitten, twee keer meer dan het gemiddelde van de OESO-landen. Dat zittenblijven is zeer ongelijk verdeeld: een kind uit een arm gezin heeft maar liefst zeven keer méér kans op schoolachterstand dan een kind uit een rijk gezin. Kortom: ons onderwijs is niet de sociale lift die het zou moeten zijn. 

De rechtse partijen met de N-VA op kop, geloven dat gelijkheid in het onderwijs in de weg staat van meer excellentie. “Het streven naar excellentie moet primeren boven een verkeerd begrepen gelijkheidsstreven”, zegt Bart De Wever. De eerste wapenfeiten van Ben Weyts op onderwijs waren dan ook: afschaffing van de stappen richting een brede eerste graad, afschaffing van het inschrijvingsbeleid dat de concurrentie tussen scholen inperkt en invoering van centrale examens die een rangschikking tussen ‘sterke’ scholen en ‘zwakke’ scholen zal toelaten. De N-VA transformeert het onderwijs naar een plek waar alleen de ‘besten’ (of de kinderen van ouders die bijlessen kunnen betalen) slagen, en de rest achterblijft. De gevolgen van het rechtse beleid zijn pijnlijk duidelijk: leerprestaties dalen jaar na jaar, schoolbesturen zitten met de handen in het haar, en gelijke kansen worden verwaarloosd.

Kwaliteit én gelijke kansen kunnen niet zonder elkaar. Dat tonen landen als Finland, maar ook Denemarken, Noorwegen en Canada aan. Zij koppelen hoge prestaties aan méér gelijkheid. Goed onderwijs is een grondrecht van elk kind, ongeacht de omvang van de portefeuille van mama of papa. Er wordt heel voorzichtig omgesprongen met vergelijkende toetsen en selectieproeven, zeker in het basisonderwijs. Zittenblijven wordt tot elke prijs vermeden. Opsplitsing tussen algemeen vormend, technisch en beroepsonderwijs gebeurt pas vanaf de leeftijd van 16 jaar. En alle studierichtingen, ook die van het beroepsonderwijs, geven toegang tot het hoger onderwijs. 

Wij bouwen in Vlaanderen aan het onderwijs van de toekomst. Met scholen waar leerlingen zich thuis voelen, waar ze uitgedaagd en gevormd worden vertrekkende van hun eigen talenten. Waar leerkrachten gewaardeerd worden en kunnen doen wat ze het beste kunnen en het liefste doen: lesgeven. De jongeren van nu zijn de toekomst van morgen. Wij hebben alle talenten nodig om die toekomst vorm te geven en de vele uitdagingen aan te kunnen. 

Acht uur stil en aandachtig op de schoolbanken zitten in een overvolle klas voelt voor veel kinderen aan als een straf. In Finland wordt daarom alleen ‘s ochtends lesgegeven. In de namiddag is er tijd voor sport, spel, cultuur, theater, kunst, creativiteit. Leerlingen krijgen er een brede vorming en de lat ligt hoog. Ze hebben een groot pakket aan basiskennis, of ze nu als metser, zorgkundige of als advocaat aan de slag gaan wanneer ze volwassen zijn.

In ons land moet je al op 11 of 12 jaar beslissen wat je later wil worden. Vanaf dat moment word je ingedeeld in een A-stroom of B-stroom. Door deze veel te vroege schoolkeuze krijg je vooral een sociale selectie, op basis van de sociale positie van de ouders. Heel wat talenten worden daardoor verspild, niet alleen intellectueel maar ook manueel. Het is perfect mogelijk dat de zoon van een dokter uitblinkt in praktische vaardigheden en een schitterende garagist, kapper of schrijnwerker zou kunnen worden. Elke job die met liefde en kunde wordt uitgevoerd is even waardevol. 

Om de onderwijskansen en -kwaliteit voor alle leerlingen te verbeteren, stappen we af van de vroege studiekeuze die in de praktijk maar al te vaak een triage is op basis van sociale afkomst. In plaats daarvan kiezen we voor een brede en veelzijdige basisvorming tot de leeftijd van 16 jaar. Alle leerlingen krijgen een stevige basis van kennis en vaardigheden waarop ze verder kunnen bouwen. Zij krijgen ook veel meer kansen om te ontdekken waar hun talenten, interesses en voorkeuren juist liggen. Ze kunnen keuzevakken volgen die daarbij aansluiten en hun talenten verder ontwikkelen. We maken komaf met het zogenaamde ‘watervalsysteem’. Het BSO mag niet de opvangplaats zijn van leerlingen die falen in het TSO en het TSO mag niet het vangnet zijn van leerlingen die mislukken in het ASO. Elke stroom moet een positieve keuze zijn in functie van de talenten, interesses en voorkeuren van de leerling. De huidige Vlaamse regering kwam niet verder dan een naamsverandering: de hiërarchische opdeling heet nu 'doorstroom' versus 'arbeidsmarktfinaliteit' in plaats van ASO versus BSO. Een hervorming die heel wat tijd heeft opgeëist van leerkrachten en directies, zonder ten gronde iets te veranderen. Door de studiekeuze te verlaten naar 16 jaar en meer in te zetten op persoonlijke begeleiding, geven we jongeren de kans om een bewuste en positieve keuze te maken. We investeren ook de nodige middelen om in elke stroom onderwijs van hoge kwaliteit aan te bieden.

Om elk kind te laten excelleren, zijn kleinere klassen een must. In een kleine klas kan de leerkracht alle leerlingen de omkadering geven die zij nodig hebben. Er kan gedifferentieerd worden, rekening houdend met de verschillende niveaus in de klas. De leerkracht kent de leerlingen beter en ziet hun vooruitgang. Dat is heel anders dan een klas van 22 leerlingen die allemaal met vragen zitten, maar geen antwoord kunnen krijgen omdat er geen tijd is. In een grote klas krijgen leerlingen onvermijdelijk vooral 'standaardoefeningen' die voor iedereen hetzelfde zijn, in plaats van remediëring op maat. Op het einde van de rit zullen hun kennis en vaardigheden daaronder lijden. Ook voor leerkrachten zijn te grote klassen een bron van frustratie. De hoge werkdruk die hiermee gepaard gaat, draagt bij aan de hoge uitval van leerkrachten.

We verbieden het opstellen van ranglijsten tussen scholen op basis van centrale toetsen. Die leiden tot concurrentie, de neiging om enkel met de goed presterende leerlingen verder te gaan en uitsluiting. Dit gaat in tegen de kernwaarden van ons democratische onderwijs, dat voor iedereen toegankelijk moet zijn. We verhogen de sociale mix via een centraal aanmeldingsregister dat een plek garandeert voor elk kind in een school in de buurt. Een goede sociale mix is de beste voorbereiding op de samenleving.

Tot slot geven me meer aandacht aan de leeromgeving van leerlingen. Veel schoolgebouwen in Vlaanderen zijn behoorlijk verouderd, een kwart dateert van vóór 1950. Daardoor worden heel wat klaslokalen in de zomer een sauna en in de winter een tochtige ijskelder. De slechte staat van de schoolgebouwen zorgt ervoor dat scholen elk jaar véél geld moeten uitgeven aan hun energiefactuur, waardoor er minder overblijft voor andere dingen. Om dit probleem aan te pakken, zetten we volop in op grondige renovaties en het energiezuinig maken van schoolgebouwen. Containerklassen worden verleden tijd. Daarvoor kunnen scholen gebruik maken van de derdebetalerslening die we, naar Duits voorbeeld, ook voor woningisolatie lanceren met een publieke bank. De afbetaling gebeurt gewoon via de besparing op de energiefactuur. 

Voor andere renovaties en nieuwbouw werken we zoveel mogelijk samen met lokale besturen, als alternatief voor de geldverslindende samenwerking met de privé. Als tegenprestatie zetten we de schoolgebouwen open voor activiteiten na de schooltijd. Zo versterken we de band tussen de school en de buurt, tussen onderwijs en vrijetijdsbesteding, lokale jeugdorganisaties en verenigingen. We bouwen stapje voor stapje aan een brede school.

Elke dag zetten tienduizenden enthousiaste leerkrachten zich in om jongeren te laten schitteren in de klas. Ze zijn de brandstof van het onderwijssysteem. "Zonder leraar voor de klas geen goed onderwijs”, herhaalde Vlaams Parlementslid voor de PVDA Kim De Witte meermaals in het Vlaams Parlement. 

Gewapend met uitgebreide kennis en vaardigheden bereiden ze jongeren voor op de toekomst. Het lerarenberoep is een veeleisende en uitdagende job, die echt niet te onderschatten valt. Ondanks de passie die velen voelen om kinderen te vormen en voor de klas te staan, wordt het onderwijs al jaren geplaagd door een tekort aan leerkrachten.

De oorzaken van het tekort zijn bekend. Terwijl de instroom veel te klein is – het aantal studenten in de lerarenopleiding is op tien jaar tijd met de helft afgenomen – is de uitstroom veel te groot: één op drie startende leerkrachten verlaat het onderwijs binnen de vijf jaar. Door werkonzekerheid, de vele interims afgewisseld met werkloosheid, de werkdruk, het gebrek aan aanvangsbegeleiding en de hoge planlast haken veel jonge leerkrachten snel weer af. Daarnaast is er de groeiende uitval van leerkrachten door ziekte en burn-out, vooral tussen 55 en 65 jaar, maar ook bij jongere leerkrachten. Eén op de vier leerkrachten loopt het risico op een burn-out. Leerkrachten werken dan ook veel meer dan 38 uur perweek: ze komen gemiddeld aan 42 uur per week, vakantieperiodes inbegrepen. In een gewone lesweek zijn er pieken tot 50 uur. Vooral beginnende leerkracht kloppen lange werkweken. 

Vandaag is het tekort zodanig hoog opgelopen dat de onderwijsmotor sputtert. De VDAB spreekt van een verdubbeling van het aantal vacatures in het onderwijs op vijf jaar tijd. Leerlingen zitten uren in de studie, examens worden noodgedwongen uitgesteld, de leerachterstand loopt op en de onderwijskwaliteit neemt af. Schooldirecties krijgen openstaande vacatures niet ingevuld en kijken machteloos toe hoe leerkrachten uitvallen door de steeds toenemende werkdruk. De nood om het roer om te gooien en de strijd tegen het lerarentekort te versterken is hoog.

In het vorige regeerakkoord stond weinig over de aanpak van het lerarentekort. De Vlaamse regering noemt het fenomeen dan wel een grote uitdaging, maar het was nooit een prioriteit. In oktober 2021, toen de omvang van het tekort ongeziene proporties bleek aan te nemen, kwam onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) met een kladpapiertje naar een parlementair debat waarop hij met de hand tien voorstellen gekribbeld had. Die had hij zelfs niet besproken met zijn coalitiepartners. Weyts klopt zichzelf vooral op de borst: “We doen al veel, we zetten grote stappen vooruit en we moeten vooral het positieve benadrukken”. Net als zijn voorgangers koos Weyts voor meer van hetzelfde: flexi-jobs, lagere diplomavereisten, grotere klassen, gepensioneerden voor de klas, het uitbesteden van verbeterwerk, een imagocampagne etc. Druppels die de brand niet zullen blussen. “Het onderwijs staat in brand en u staat te blussen met een waterpistool”, reageerde Kim De Witte (PVDA) in het Vlaams parlement.

Voor de PVDA is het duidelijk dat je het lerarentekort alleen kan oplossen door meer te investeren in de mensen op het terrein en ondersteuning te bieden maar ook door actief te luisteren naar hun zorgen en deze aan te pakken. Leraren willen kunnen doen waar ze het best in zijn, namelijk lesgeven. Daarom zetten we sterk in op de verlaging van de planlast. We snoeien in het aantal verslagen van werkgroepen en klasgroepen. We bouwen administratieve lasten af door een nieuw centraal leerlingendossier op te zetten, waar alle betrokken leerkrachten, directies, CLB, ondersteuning toegang toe hebben. Op die manier stimuleren we ook de samenwerking tussen scholen en begeleidende diensten. Om de overgang voor startende leerkrachten te vergemakkelijken, zetten we in op extra ondersteuning aan het begin van hun loopbaan. Dit doen we met een “inwerkjaar” waarbij starters een volwaardig loon krijgen, maar minder werkdruk hebben en begeleid worden door mentors. Deze mentors zijn ervaren leerkrachten die zich in de eindfase van hun carrière bevinden. Door een mentorrol op zich te nemen, kunnen de ervaren leerkrachten hun werkdruk een beetje verminderen en hun kennis overdragen aan beginnende leerkrachten. Via een systeem van junior-senior begeleiding maken we de job van beginnende leerkrachten makkelijker en  geven we tegelijk loopbaanperspectieven aan ervaren leerkrachten.

Het lerarenberoep is zowel fysiek als mentaal zeer zwaar. Dat blijkt ook uit de statistieken van de Vlaamse overheid wat langdurige ziekten en burn-out betreft. Wij bieden alle leerkrachten meer mogelijkheden aan om rustpauzes in te lassen en voeren het recht op loopbaanonderbreking opnieuw in. De leeftijd waarop oudere leraren met pensioen kunnen gaan, verlagen we naar 65 jaar, en we bieden de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan vanaf 60 jaar. Om de werk-privébalans voor leerkrachten te verbeteren, heeft de Vlaamse regering onder druk van de vakbonden de eerste stappen gezet naar een deconnectiekader. Daarmee kunnen leraren binnen hun school onderhandelen vanaf wanneer ze niet meer gestoord willen worden na de werkuren. We gaan dit principe versterken en bindende regels voor alle scholen vastleggen. Want iedereen verdient rust na het werk.  

De lonen van leerkrachten verschillen door diverse factoren, waaronder het behaalde diploma niveau. Dit leidt ertoe dat leerkrachten met dezelfde functie en hetzelfde aantal werkuren, toch een verschillend loon krijgen. We maken daar komaf mee en kiezen voor gelijk loon voor gelijk werk. Daarnaast verhogen we de lonen van bachelors en van het niet-onderwijzend personeel. “Ik ken mensen die willen werken in het onderwijs, oudere mensen en jongere mensen, maar zij twijfelen omdat er geen duidelijk zicht is op een goede loopbaan. Zij willen geen flexi-job in het onderwijs, maar een echte job, een goede job in het onderwijs”, vatte PVDA-parlementslid Kim De Witte samen in het Vlaams Parlement.

Vandaag worden veel jongeren en hun ouders geconfronteerd met hoge schoolkosten. Eén op de drie gezinnen heeft problemen om de schoolfacturen te betalen. Steeds meer leerlingen zitten zonder boeken in de klas. Er zijn ook leerlingen die een studierichting niet kiezen omdat die te duur is. De ongelijkheid in het Vlaams onderwijs is de laatste jaren fel toegenomen. Scholen doen hun best om kosten te drukken, maar jaar na jaar, minister na minister wordt er door de Vlaamse regering bespaard op hun werkingsmiddelen. Als je rekening houdt met de inflatie, zijn de werkingsmiddelen van het middelbaar onderwijs de laatste vijftien jaar met 6 procent gedaald. In het lager onderwijs daalden ze in dezelfde periode zelfs met 11 procent. Dure bijlesbedrijven schieten als paddenstoelen uit de grond en bieden een soort schaduwonderwijs aan voor wie het kan betalen. 

We zetten een punt achter deze situatie en draaien de jarenlange besparingen op onderwijs terug. We zorgen ervoor dat de centen eerlijk worden verdeeld zodat scholen opnieuw een aangename leer- en werkomgeving worden.

In het middelbaar onderwijs voeren we ook een maximumfactuur in. Dat is een efficiënt instrument gebleken in het lager onderwijs. Het is gewoon niet logisch dat zodra een kind de overstap maakt van het zesde leerjaar naar het eerste middelbaar, de schoolkosten plots vertienvoudigen. Dit legt een enorme financiële druk op gezinnen, vooral die met meerdere kinderen en beperkt bovendien de onderwijskansen. Het invoeren van een maximumfactuur wordt breed gesteund door ouderverenigingen, vakbonden, experten, de Vlaamse scholierenkoepel en diverse andere organisaties uit het middenveld.

We verbieden ook het gebruik van zwarte lijsten en de inschakeling van incassobureaus en deurwaarders door boekenverdelers. Het is onaanvaardbaar dat de onderwijskansen van scholieren worden gegijzeld wegens betalingsproblemen. We verhogen de ondersteuning voor schoolbesturen om met betalingsproblemen om te gaan. Verschillende onderzoeken wijzen erop dat de economische status van leerlingen sterk bepaalt of ze kunnen deelnemen aan meerdaagse uitstapjes. Om ervoor te zorgen dat alle leerlingen dezelfde kansen hebben, maken we schooluitstappen en zwemlessen in het lager onderwijs volledig gratis.

Uit recente cijfers van het internationale PIRLS-onderzoek blijkt dat maar liefst 40 procent van de Vlaamse scholieren met honger in de klas zit. Dit heeft zeer negatieve gevolgen op hun leerprestaties en de algemene ontwikkeling. We gaan de strijd aan tegen honger in de klas, net zoals Finland dat al sinds de jaren 1940 doet. In alle Vlaamse scholen bieden we gratis en gezonde warme maaltijden aan. Deze maatregel verbetert niet alleen de leerprestaties van  kinderen, maar is ook een belangrijk wapen in de strijd tegen armoede. 

Elk kind is uniek en verdient het om volwaardig, zonder uitsluiting en segregatie op school, omarmd en ondersteund te worden. Dit is geen wensdroom, maar een noodzakelijke stap naar een samenleving met meer wederzijds begrip. De diversiteit in onze samenleving is een waardevolle troef die we moeten koesteren. Maar de omslag naar een inclusiever onderwijs komt niet vanzelf.

In Vlaanderen gaat 7,5 procent van de scholieren naar het buitengewoon onderwijs. Dat is het hoogste segregatieniveau van personen met leer- of gedragsprobleem of een handicap in het onderwijs in heel Europa. In vergelijking met onze buurlanden is dit zelfs meer dan het dubbele. De Vlaamse regering heeft de afgelopen jaren getoond dat inclusie voor haar geen prioriteit was. Pijnpunten zoals een te lage financiering werden niet aangepakt en op vlak van inclusief onderwijs werden stappen achteruit gezet.

Laten we een voorbeeld nemen aan Finland, waar gelijk onderwijs voor iedereen en het principe van integratie centraal staan. Deze doelstellingen nemen we over in het Vlaamse onderwijsbeleid. We streven naar het opnemen van kinderen met een handicap in het reguliere onderwijs, zodat ze volwaardig kunnen deelnemen aan het leerproces. Dit doen we door de budgetten voor leersteun te verhogen, en door ondersteuners kinderen met een handicap rechtstreeks in de klas te laten begeleiden. We betrekken kinderen en hun ouders actiever bij de zoektocht naar aanpassingen, en we breiden de lerarenopleiding uit. Via extra brede trajecten geven we leerkrachten meer vaardigheden en kennis over het lesgeven aan kinderen met een handicap, en over de uitdagingen van het lesgeven in een grootstedelijke context.  

Nieuwkomers die het Nederlands nog niet beheersen, kunnen via onthaalonderwijs hun taalvaardigheden intensief bijspijkeren. Helaas is er vandaag niet genoeg plek voor iedereen. Hierdoor blijven veel jongeren noodgedwongen thuis of in het opvangcentrum, zonder de kans om onderwijs te volgen. Honderden anderstalige nieuwkomers missen zo belangrijke kansen om de taal te leren en zichzelf te ontwikkelen. Bovendien lopen ze waardevolle sociale contacten mis, want vaak worden de eerste vriendschappen in de klas en op de speelplaats gesloten. Met extra financiële middelen moedigen we scholen aan om meer klassen voor onthaalonderwijs op te richten.

Het streven naar inclusie gaat veel verder dan alleen de speelplaats en de klas. Ook in de leraarskamer ervaren mensen nog vaak problemen vanwege hun geloof en achtergrond. Daarom schaffen we het verbod op het dragen van levensbeschouwelijke symbolen af. We creëren een een omgeving waar iedereen vrij kan zijn om zichzelf te zijn zonder angst voor discriminatie. 

Bovendien trekken we de budgetten voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB’s) stevig op. Door de vele besparingen en personeelstekorten kunnen zij hun taken niet meer correct uitvoeren. Deze centra spelen nochtans een belangrijke rol in het opvolgen en ondersteunen van scholieren. 

“Een hoger diploma is bijna erfelijk.” Dat titelde studentenkrant Veto enkele jaren geleden. Het aantal studenten met hoogopgeleide ouders neemt af. Dat heeft niets te maken met capaciteiten, maar alles met sociaal-economische klasse. Hoe rijker je bent, hoe meer kans je maakt om verder te studeren en te slagen. Het is duidelijk dat de één meer aanleg heeft voor een technische opleiding en de ander eerder is weggelegd voor universitaire studies. Maar wordt er vandaag wel geselecteerd op basis van de talenten van onze jongeren? 

 

De vaststelling dat kinderen van lager geschoolde ouders of jongeren met een migratieachtergrond veel minder vaak aan het hoger onderwijs beginnen, doet anders vermoeden. Studenten die aanspraak maken op een studiebeurs, blijken bovendien veel lagere slaagpercentages te hebben dan hun studiegenoten die het financieel beter stellen. Veel meer dan je talenten, bepaalt je portemonnee en je afkomst vandaag welke richting het uit gaat. Zo gaat een schat aan talent verloren.

 

Corona en de energiecrisis hebben die ongelijkheid alleen maar doen toenemen. Tijdens de lockdown verloren duizenden studenten hun studentenjob en daarmee hun inkomen om hun studies te betalen. Door de inflatiegolf die volgde werden de studiekosten een pak duurder. Door de automatische indexering steeg het inschrijvingsgeld in Vlaanderen van 980 naar 1092 euro in 2023. Maaltijden in studentenrestaurants werden duurder. Studeren kost gemiddeld meer dan 16.000 euro per jaar. Vlaams fractieleider van de PVDA Jos D’Haese brengt bijna wekelijks verschillende getuigenissen in het parlement van studenten die moeten overleven op cornflakes of droog brood, die het mentaal moeilijk hebben en zich door geldproblemen niet op hun studies kunnen focussen.

 

De oorzaak van deze problemen ligt bij de jarenlange besparingen op hoger onderwijs en de elitaire visie van de Vlaamse regering. Hogescholen en universiteiten zitten  financieel op droog zaad en besparen tientallen miljoenen euro’s op studentenvoorzieningen en personeel. De enveloppefinanciering, waarbij elke instelling een vast bedrag van de overheid krijgt in functie van de noden, is totaal onvoldoende. De Vlaamse regering respecteert haar eigen financieringsdecreten niet. De zogenaamde ‘kliks’ van het kliksysteem, waarbij elk jaar de financiering toeneemt op basis van het aantal studenten, worden regelmatig overgeslagen. In 2023 werden 11.000 studenten niet gefinancierd. Terwijl er wel een indexering is voor studenten door hoger inschrijvingsgeld, wordt een groot deel van de werkingsmiddelen van de overheid niet geïndexeerd. Door alle besparingen samen loopt het hoger onderwijs elk jaar 667 miljoen euro mis. Oftewel 21,5 procent minder middelen per student dan in 2008. Wanneer de PVDA en haar studentenbeweging Comac protesteren tegen de besparingen, antwoordt de minister: “Ik voel me niet aangesproken.”

 

Om de problemen bij de wortel aan te pakken, voeren we een financiering in die gebaseerd is op het aantal studenten en de noden van elke hoger onderwijsinstelling. We zetten een groeipad uit voor een herfinanciering van het hoger onderwijs naar minstens 2 procent van het bruto binnenlands product. We zorgen ervoor dat de studiekosten binnen de perken blijven en we kennen beurzen automatisch toe aan wie er recht op heeft. We bevriezen het inschrijvingsgeld op 835 euro en schrappen de indexering ervan, zoals in het Franstalige hoger onderwijs. We willen op termijn evolueren naar een kosteloos hoger onderwijs zoals in Duitsland, Oostenrijk en in Scandinavische landen. Dat staat ook in het Pact van New York, dat ons land ondertekend heeft. Want als onderwijs een recht is, horen er geen financiële drempels te zijn.

 

Tegen 2030 zullen er 95.000 koten te weinig zijn. De wet van vraag en aanbod jaagt de kotprijzen de lucht in. Projectontwikkelaars focussen zich op het bouwen van luxekoten met yogaruimtes en pingpongtafels. Huisjesmelkers maken misbruik van de situatie om een krot aan te bieden aan honderden euro’s per maand. Door gebrek aan middelen verhogen de universiteiten en hogescholen de prijzen van publieke koten, terwijl deze vaak de goedkoopste zijn van heel het aanbod. Een kot in Vlaanderen kost gemiddeld 500 euro per maand, exclusief kosten. We investeren in publieke koten van de hogeronderwijsinstellingen aan een democratische huurprijs. Dat blijft de beste garantie om betaalbaar op kot te kunnen. In de tussentijd blokkeren we de huurprijzen van particuliere koten met een huurrooster zoals dat ook in Brussel bestaat voor huurwoningen, maar dan wel bindend. Dit rooster legt duidelijke criteria vast op basis van de kenmerken van het gehuurde kot (zijn er meubels of een lavabo, is er een badkamer, en zo voort). Ten slotte leggen we wettelijk vast dat elk nieuw kotproject van privéspelers 80 procent aan basiskoten voorziet (kamers met simpele basisvoorzieningen en geen onnodige luxe), in plaats van luxekoten die enkel rijke mensen kunnen betalen.

 

Door de structurele onderfinanciering maakt de overheid de weg vrij voor het rendementsdenken in universiteiten en hogescholen. Universiteiten zoeken naar samenwerking met privébedrijven door leerstoelen op te richten. Er bestaan meer dan 200 leerstoelen aan Vlaamse universiteiten, goed voor 20 miljoen euro aan financiering. De meerderheid onder hen wordt betaald door farmabedrijven, de bank- en verzekeringssector of multinationals. Onderzoek wordt zo gestuurd naar wat het meeste geld oplevert. De kwaliteit en de academische onafhankelijkheid komen onder druk. Samenwerking met de private sector omkaderen we strikt. We moedigen daarentegen samenwerking met vakbonden, ngo’s en middenveldorganisaties aan.

De Vlaamse regering verdedigt de asociale en elitaire visie dat studeren niet voor iedereen zou zijn weggelegd. Het niveau moet omhoog, de studenten die te veel buizen moeten eruit. Maar door de jarenlange besparingen, is het de rechtse regering zelf die de kwaliteit onderuit haalt. Tijdens corona kwam die elitaire visie het duidelijkste naar boven, toen Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) weigerde om concrete hulpmaatregelen te nemen terwijl duizenden studenten er mentaal en financieel door zaten. Hij maakte liever een misplaatst filmpje waarin hij een student een kom soep gaf en hem zei: “Volhouden!”. Onder druk van acties en een petitie van Comac, dwongen we hem om het voor studenten mogelijk te maken om hun studiepunten terug te vorderen wegens corona als overmachtsituatie. Maar Weyts zette zijn asociale programma daarna verder. 

 

Slechts 30 procent van de studenten haalt hun bachelordiploma binnen de vooropgestelde termijn van drie jaar.  Over de redenen daarvoor, en dus ook over de remedies, lopen de meningen uiteen. De rechtse partijen leggen de verantwoordelijkheid voor de hoge uitval bij de individuele student. De oplossingen die ze naar voor schuiven gaan allemaal in dezelfde richting: een strengere selectie aan de poort met al dan niet bindende toelatingsproeven. Zulke toelatingsproeven versterken echter het elitaire karakter van hogere studies, zoals onderwijssocioloog Mieke Van Houtte (UGent) stelt. De overgang naar grote hoeveelheden leerstof is voor veel studenten moeilijk, vooral voor wie vanwege hun achtergrond al een achterstand heeft opgelopen. Selectie aan de poort selecteert niet alleen op talenten, maar ook op die voorgeschiedenis. Zelfs wanneer toelatingsproeven niet-bindend zijn, schrikt het resultaat van een ijkingsproef mensen af die zich geen financiële risico’s kunnen permitteren.

 

Wij verdedigen een sociale visie die het hoger onderwijs als motor van gelijkheid ziet en iedereen doet excelleren. De bedoeling van studeren is net dat je kennis opdoet, in plaats van op voorhand alles al weten voordat je mag beginnen. We verzetten ons tegen elke vorm van toelatingsproeven en ingangsexamens. We schaffen de harde knip tussen de eerste en derde bachelor af.

 

Wij kiezen ervoor studenten te helpen de moeilijkheden te overwinnen. Dat doet onze studentenbeweging Comac al, door twee keer per jaar een collectieve blok te organiseren. Studenten van heel het land komen bijeen onder het motto: ‘Samen studeren om samen te slagen!’ In het eerste jaar van alle richtingen voeren we het keuzevak Leren studeren in. Het is geen deel van het curriculum, dus er staan geen punten op, maar het is een optie voor alle eerstejaars om hen te helpen. We organiseren op elke faculteit collectieve blokken, waar studenten samen kunnen studeren en beroep kunnen doen op studiehulp. We versterken de omkadering en studiebegeleiding en richten daarvoor per faculteit een pedagogisch centrum op. Het lage slaagpercentage is een collectief probleem en verdient dan ook collectieve oplossingen.

 

We schaffen ook het ingangsexamen voor de opleidingen arts, tandarts en dierenarts af. Dat is niet alleen nodig voor de democratische toegang tot de richting, België heeft ook te weinig artsen. Eén op twee huisartsen is ouder dan 55 jaar en vertrekt binnenkort op pensioen. Door het ingangsexamen krijgen te veel jongeren geen kans om arts te worden, wat het huisartsentekort in stand houdt. Onze samenleving heeft nood aan goede zorg.

Studeren moet in alle veiligheid kunnen gebeuren. Dat wil zeggen: geen plek voor grensoverschrijdend gedrag, machtsmisbruik of uitbuiting. Niet op de campus, maar ook niet tijdens het uitgaan of stages.

 

Aan verschillende hogescholen en universiteiten ondergaan studenten, doctoraatsstudenten en assistenten seksuele intimidatie en machtsmisbruik. Door logge en slecht werkende interne klacht- en tuchtprocedures blijven meldingen in de doofpot en de daders beschermd. De afgelopen jaren verschenen verhalen in de media over proffen waar al jaren klachten tegen liepen, maar waartegen geen enkele maatregel werd genomen.

 

Als reactie op de maatschappelijke verontwaardiging richtte de Vlaamse regering het Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend gedrag op. Maar dat zal ook andere sectoren zoals sport en cultuur behandelen. Er wordt eindelijk actie ondernomen, maar het risico bestaat dat alles op één hoop wordt gegooid en er geen rekening wordt gehouden met de specifieke context. Bovendien blijven er veel interne meldpunten bestaan, waardoor het overzicht zoek is. We creëren een extern, onafhankelijk en centraal meldpunt tegen grensoverschrijdend gedrag in het hoger onderwijs. Dat meldpunt wordt kenbaar gemaakt aan elke faculteit en is laagdrempelig en aanspreekbaar. We voeren externe tuchtprocedures in, met een duidelijk wettelijk kader om in te grijpen. We organiseren een brede sensibiliseringscampagne tegen grensoverschrijdend gedrag.

 

Het is belangrijk dat studenten zich ook tijdens het uitgaan veilig voelen. In de Spaanse stad Rivas, naast Madrid, voerde het linkse stadsbestuur een ‘Punto Violeta’ in. Dat is een meld- en steunpunt in geval van grensoverschrijdend gedrag. Alle daar aanwezige mensen, zowel de preventiemedewerkers als het veiligheidspersoneel, zijn opgeleid om allerhande vragen naar hulp, informatie of ondersteuning te behandelen. Geïnspireerd op het Spaanse model, creëren we een ‘Paars Punt’ in elke studentenbuurt.

 

Verschillende opleidingen vereisen dat studenten stage lopen. Dat is nodig om werkervaring op het veld op te doen. Maar er is veel misbruik. Het gros van deze stages biedt geen onkostenvergoeding, transport wordt niet terugbetaald en studenten staan zelf in voor de kosten van hun maaltijd. In de stages in de zorgsector worden de normale werkuren bij tal van opleidingen overschreden. Vaak compenseren ziekenhuizen en zorgplekken het gebrek aan investeringen in personeel met gratis stagiairs. Studenten geneeskunde worden onder druk gevraagd om een ‘opting-out’ te tekenen, waarmee werkweken tot 72 uur mogelijk zijn.

 

Naast het herinvesteren in publieke diensten en de zorgsector die stageplaatsen aanbieden,  verplichten we stageplaatsen om alle onkosten van stagiairs te vergoeden. We beperken stage-uren tot 38 uur per week, een normale voltijdse werkweek. Het is belangrijk dat geneeskundestudenten voldoende tijd hebben om naast hun stage te reflecteren over hun ervaringen, hun leerstof te verwerken en tijd te nemen voor ontspanning en sociale contacten.