.

De vroege zomer is het moment waarop de Studiecommissie voor de Vergrijzing steevast met haar jaarverslag komt. Telkens staan dan vergrijzingspredikanten klaar om het rapport te ontwijden met apocalyptische voorspellingen. Kim De Witte, volksvertegenwoordiger van de PVDA, schuift die vergrijzingspropaganda opzij en gaat dieper in op de cijfers van de jaarverslag. “Zij geven aan dat hogere pensioenen wel degelijk mogelijk én nodig zijn,” aldus De Witte.

Opinie verschenen op Knack.be.

“Het budget voor de pensioenen steeg op tien jaar tijd van 28 miljard naar 46,9 miljard, dat is fenomenaal”, waarschuwde minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) kort voor de verkiezingen. “Oei, bijna een verdubbeling op tien jaar tijd,” denkt de argeloze burger dan, zonder te beseffen dat de minister hem/haar beetneemt. Want vergelijkingen doorheen de tijd maken in absolute cijfers, dat is misleidend. Ze geven een vertekend beeld omdat ze factoren zoals de inflatie en de groei van de welvaart buiten beschouwing laten. Zijn de pensioenuitgaven in tien jaar tijd bijna verdubbeld? Helemaal niet. Het officieel orgaan dat de kosten van de vergrijzing in ons land jaar na jaar berekent, is de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Die geeft aan: vandaag geven we 10,7 procent van ons bbp aan de pensioenen. In 2009 was dat 9,7 procent. In tien jaar tijd is er één procentpunt bijgekomen. Helemaal geen verdubbeling, zoals de minister doet uitschijnen.

De “grote pensioenbom” is een kleine sisser geworden

Wat zegt de Studiecommissie over de toekomst? Ze berekent de uitgaven voor de volledige sociale zekerheid. Immers, de uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg gaan dan wel stijgen, maar die voor werkloosheid, brugpensioenen, kinderbijslagen en arbeidsongeschiktheid gaan dalen. De Studiecommissie maakt de som en concludeert dat de uitgaven voor de sociale zekerheid in 2070 27,6 procent van ons bbp zullen bedragen. Vijf jaar geleden was dat nog 26,4 procent. In bijna 60 jaar tijd komt er met de vergrijzing dus 1,2 procent bij. De zogenaamde “pensioenbom” is een sisser geworden. Wie nu nog steeds gewaagt van “de grijze zondvloed”, “de perfecte storm” of andere paniekzaaierij is gewoon te kwader trouw. Op lange termijn zijn onze pensioenen perfect betaalbaar.

Ook op kortere termijn is dat zo. Omdat de verre toekomst geen probleem meer is, verschuift de aandacht van de vergrijzingspredikanten naar de korte termijn, meer bepaald naar 2040, het jaar waarin het aantal babyboomers met pensioen piekt. En weer vliegen de miljarden om onze oren: “Vergrijzing kost sociale zekerheid 17 miljard extra tegen 2040”, kopt De Tijd. Dat een beurskrant vergelijkingen over meer dan twintig jaar tijd in absolute cijfers weergeeft, toont hoe oneerlijk het pensioendebat verloopt. Een eerstejaarsstudent economie zou voor minder gebuisd zijn.

Ja, de uitgaven voor de sociale zekerheid pieken tegen 2040: 3,8 procent van het bbp erbij (2,7 procent als we vergelijken met vijf jaar geleden, toen de uitgaven voor de sociale zekerheid nog een dik procentpunt hoger lagen). Wat schrijft de Studiecommissie daarover? Niet de pensioenen, maar de uitgaven voor de gezondheidszorg stijgen het sterkst tegen 2040. Een deel van de meerkost voor de gezondheidszorg is gelinkt aan de vergrijzing, maar een ander deel ook niet. De Studiecommissie noteert: “Merk op dat de toename van de uitgaven voor gezondheidszorg niet alleen afhangt van de vergrijzing.” In haar jaarverslag maakt ze een opsplitsing tussen chronische en acute zorg. Vooral de chronische zorg is gelinkt aan de vergrijzing en die is goed voor één vijfde van de uitgaven. Vier vijfde gaat naar acute zorg. Daarmee belanden we bij de discussie over de financiering van onze gezondheidszorg met de excessieve uitgaven voor de ereloonsupplemenen van specialisten, de te dure geneesmiddelen van big pharma en de prestatiegeneeskunde van de medische industrie. Die pompen miljarden weg uit onze sociale zekerheid. Maar daarover horen we de vergrijzingspredikanten niet.

De PVDA heeft een plan om deze excessieve uitgaven in te perken. We lieten de opbrengst van het kiwimodel berekenen door het Planbureau. Een toepassing ervan op de honderd geneesmiddelen uit patent zou jaarlijks al een half miljard euro opleveren. De PVDA stelt ook voor de buitensporige erelonen van specialisten aan banden te leggen en de prestatiegeneeskunde in te perken. Dat levert voor de sociale zekerheid jaarlijks 1 miljard euro op.

3,8 procent van het bbp extra moeten vinden tegen 2040, dat is natuurlijk niet hetzelfde als meteen 3,8 procent moeten vinden. Het kan stapje voor stapje, een langzame toename. Gedurende twintig jaar komt er jaarlijks zowat 0,2 procent of 750 miljoen euro bij. Met de genoemde maatregelen zitten we al goed voor enkele jaren. Daarnaast moeten we ook naar de inkomsten kijken.

Niet de uitgaven, wel de inkomsten vormen de grootste bedreiging

De jaarrapporten van de Studiecommissie voor de Vergrijzing beschrijven in het lang en het breed de stijgende uitgaven voor de sociale zekerheid. Maar ze zwijgen over de dalende inkomsten. Net daar zit het grootste probleem. Met de sociale bijdragen op onze lonen, een vorm van indirect of uitgesteld loon, financieren we grotendeels onze pensioenen. Maar het beleid is ons indirect loon sluipenderwijs gaan ondergraven. De beheerders van de sociale zekerheid trokken al herhaaldelijk aan de alarmbel. De werkgeversbijdragen gedragen zich als de poolkappen: ze smelten weg. Volgens het Planbureau lopen de loonsubsidies en vrijstellingen van werkgeversbijdragen in 2018 al op tot 16 miljard euro per jaar. Dat is een veelvoud van de inkomsten die we moeten vinden om onze sociale zekerheid betaalbaar te houden.

“Die vrijstellingen van sociale bijdragen zorgen voor jobs waarmee we onze pensioenen betalen,” zegt Jan Spooren, de pensioenspecialist van de N-VA. Maar je betaalt natuurlijk geen cent pensioen met jobs die vrijgesteld zijn van sociale bijdragen. En België zit nu net in de staart van het Europese peloton als het op nieuwe, stabiele jobs met sociale bijdragen aankomt.

Ook in de Europese staart zitten we als het aankomt op de groeiende productiviteit van arbeid, waarmee we met minder arbeid meer welvaart kunnen produceren. Deze productiviteit heeft alles te maken met innovatie. Nieuwe machines en technieken nemen werk over. De artificiële intelligentie van de robots en machines zal de arbeidsproductiviteit verder doen toenemen.

Maar de productiviteitsgroei heeft ook met sociale zekerheid te maken. Als die sterk is vervangen we zieke en oudere werknemers door gezonde, jonge arbeidskrachten. Maar de regering-Michel heeft zieke en oudere werknemers met allerlei dwang- en strafmaatregelen geactiveerd. Geen wonder dat dan de arbeidsproductiviteit afneemt. Het debat over de financiering van onze sociale zekerheid gaat dan ook over veel meer dan over centen alleen. Het gaat over arbeidsmarktbeleid, over sociale bescherming, over recht op rust bij ziekte en na een leven van intense arbeid. Het gaat over welke samenleving we doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen.

Naar een minimumpensioen van 1500 euro netto

De regeringsonderhandelaars gaan onze pensioenen moeten bespreken. De vergrijzingspredikanten sturen aan op weer nieuwe besparingen. Maar onze pensioenen behoren al tot de laagste van Europa. En zelfs die zouden onbetaalbaar zijn? Komaan! Zowat alle partijen hebben in de kiescampagne beloofd het minimumpensioen op te trekken. Een verhoging naar 1.500 euro netto zou 2,2 miljard kosten. Dat is 0,5 procent van ons bbp. Perfect betaalbaar.

Het proces van vergrijzing loopt over vele jaren. Wij koppelen daar een langetermijnvisie aan die de rijkdom herverdeelt. Een herverdeling met vier hoekstenen.

  • Eén: de sokkel van de sociale zekerheid verbreden met stabiele, goed betaalde banen. Elke stijging van de tewerkstellingsgraad met 1 procent vermindert de vergrijzingskost met 0,5 procent, op voorwaarde dat het over banen gaat met een goed sociaal statuut, niet over precaire pseudo-jobs waar geen sociale bijdragen op betaald worden.

  • Twee: de miljonairstaks. Vorig jaar telde België 115.000 miljonairs. Op twee jaar tijd kwamen er 12.000 bij. De overgrote meerderheid van de Belgen is voorstander van een vermogensbelasting. Een miljonairstaks raakt alleen de allerrijksten. De Federale Adviesraad voor Ouderen stelt voor de pensioenen mee te financieren met een vermogensbelasting. Dat doet ook de Commissie Pensioenhervorming. Waarom maakt dat voorstel nog altijd geen deel uit van het pensioendebat?

  • Drie: de strijd tegen grote belastingsfraude en -ontwijking. Naar schatting lopen die fraude en ontwijking in ons land op tot 9 procent van het bbp. Dat is 36 miljard euro, bijna evenveel als wat we aan de pensioenen uitgeven. Minstens een deel van dat geld kunnen we recupereren als we het bankgeheim volledig opheffen, de openbaarheid van alle financiële verrichtingen invoeren en de grote fiscale fraude ernstig bestraffen. De afkoopwet doet nu net het tegenovergestelde. Grote fiscale fraudeurs komen weg met administratieve geldboetes. Dat maakt frauderen rendabel!

  • Vier: we moeten ook de houtworm in het systeem evalueren, namelijk de gestage verlaging van de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid. Dat vreet aan het stelsel en woekert voort in allerlei extralegale betalingen, vrijstellingen en loonsubsidies. Het kost de sociale zekerheid 16 miljard euro per jaar, schreven we al. Die maatregelen moeten we beoordelen en koppelen aan waterdichte voorwaarden voor bijkomende tewerkstelling.

Het recht op pensioen is het recht op rust in goede gezondheid. Het staat onder druk. Gepensioneerden “brengen niets op” en wat “niets opbrengt” is een probleem, zo heet het. Die visie moet weg! Ons pensioen is een recht. Wie een leven lang gewerkt heeft, heeft recht op vrijheid en rust met een fatsoenlijk inkomen. Minimum 1.500 euro. Als dat in Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken en Luxemburg kan, waarom dan hier niet?


Schrijf als eerste een reactie

Gelieve je mail te bekijken voor een link om je account te activeren.

We hebben jouw steun nodig